Leg het verschil uit tussen een nominaal inkomen en een reëel inkomen.
Leerdoelen
•Je kunt rekenen met RIC, NIC en PIC.
•Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen nominaal en reëel.
•Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen waardevast en welvaartsvast.
•Je kunt de effecten van onderbesteding en overbesteding uitleggen en benoemen.
Hoe meten we welvaart?
Twee begrippen die essentieel zijn om de welvaart te berekenen zijn: het nominale BBP en het reële BBP. Het bruto binnenlands product (BBP) is de totale waarde van alle goederen en diensten die in een land worden geproduceerd.
•Het nominale BBP is de waarde van het BBP, uitgedrukt in geld, in valuta. Dit laat zien hoeveel er in absolute termen is geproduceerd, uitgedrukt in de prijzen van dat moment.
•Het reële BBP is het BBP gecorrigeerd met inflatie. Hierbij kijken we naar de verandering van de koopkracht. Het reële BBP geeft een beter beeld van de daadwerkelijke economische groei, omdat het rekening houdt met prijsstijgingen.
Stel je voor dat het nominale BBP met 2% stijgt. Dat betekent dat er 2% meer euro's omgaan in de economie. Maar als de prijzen in diezelfde periode ook zijn gestegen, kunnen we niet automatisch zeggen dat we ook 2% meer producten kunnen kopen. Onze koopkracht is dan misschien minder gestegen, of zelfs gedaald. Daarom is het essentieel om te corrigeren voor inflatie om een reëel beeld te krijgen van de welvaartsgroei.
Nominaal en reëel inkomen
Het verschil tussen nominaal en reëel geldt niet alleen voor het BBP, maar ook voor je inkomen en de rente die je ontvangt.
•Je nominale inkomen is je inkomen uitgedrukt in euro's. Een loonsverhoging van 5% is een stijging van je nominale inkomen.
•Je reële inkomen geeft aan hoeveel je koopkracht is veranderd. Als je nominale inkomen met 5% stijgt, maar de prijzen ook met 5% stijgen (inflatie), dan is je reële inkomen niet gestegen; je kunt nog steeds evenveel kopen.
Nominale en reële rente
•De nominale rente is de rente die je in euro's ontvangt op bijvoorbeeld je spaargeld.
•De reële rente is de rente die overblijft na correctie voor inflatie. Dit laat zien hoeveel meer (of minder) je in de toekomst kunt kopen met je gespaarde geld.
Rekenen met RIC, NIC en PIC
Om de verandering in koopkracht (reëel indexcijfer) te berekenen, gebruiken we indexcijfers. Let op: dit zijn geen percentages, maar indexcijfers waarbij het basisjaar altijd 100 is.
•RIC staat voor het reële indexcijfer: dit geeft de verandering van de koopkracht aan.
•NIC staat voor het nominale indexcijfer: dit geeft de verandering in euro's (bijvoorbeeld van loon of BBP) aan.
•PIC staat voor het prijsindexcijfer: dit geeft de inflatie aan, oftewel de gemiddelde prijsstijging.
De basisformule om het reële indexcijfer te berekenen is:
Rekenvoorbeeld 1: berekening van het reële indexcijfer
Stel, je hebt een loonsverhoging gekregen van 5%, dus je nominale inkomen is met 5% gestegen. Het nominale indexcijfer (NIC) is dan 105 (basis is 100, plus 5%). De inflatie was 3%, dus het prijsindexcijfer (PIC) is 103 (basis is 100, plus 3%).
Wat is dan de verandering van je koopkracht (reële indexcijfer)? RIC = (105 / 103) * 100 = 101,9
Conclusie: je koopkracht is met 1,9% gestegen, omdat het reële indexcijfer 101,9 is.
Formules ombouwen
Wat als je het nominale of het prijsindexcijfer wilt berekenen, terwijl je de andere twee indexcijfers wel weet? Hierbij is een ezelsbruggetje handig:
•Als je RIC (2) en PIC (3) weet, kan je NIC (6) berekenen:
•NIC = (RIC * PIC) / 100
•Voorbeeld: NIC = (101,9 * 103) / 100 = 105
•Let op: Omdat je de indexcijfers vermenigvuldigt, deel je aan het einde door 100 om weer een correct indexcijfer te krijgen.
•Als je NIC (6) en RIC (2) weet, kan je PIC (3) berekenen:
•PIC = (NIC / RIC) * 100
•Voorbeeld: PIC = (105 / 101,9) * 100 = 103
•Let op: hier deel je de indexcijfers eerst door elkaar en vermenigvuldig je het resultaat met 100 om weer een correct indexcijfer te krijgen.

Effecten van inflatie op uitkeringen
Inflatie heeft directe gevolgen voor de koopkracht van mensen, vooral voor mensen met een uitkering. Om te voorkomen dat hun koopkracht te sterk daalt, zijn er verschillende manieren om de hoogte van uitkeringen vast te stellen:
•Een waardevaste uitkering: het inkomen uit de uitkering stijgt procentueel evenveel als de inflatie. Hierdoor blijft de koopkracht van de uitkeringsgerechtigde gelijk. De persoon gaat er niet op vooruit, maar ook niet op achteruit.
•Een welvaartsvaste uitkering: het inkomen uit de uitkering stijgt procentueel evenveel als de lonen in het algemeen. Als de lonen sterker stijgen dan de inflatie, stijgt de koopkracht van mensen met een welvaartsvaste uitkering mee met de algemene welvaart. Stijgen de lonen echter minder hard dan de inflatie, dan gaan zij er wel in koopkracht op achteruit.
•Een vaste uitkering: het inkomen blijft nominaal, dus in euro's, gelijk. Omdat er elk jaar inflatie is, daalt de koopkracht van mensen met een vaste uitkering jaarlijks. Dit is de minst wenselijke optie voor uitkeringsgerechtigden.
Welke vorm het gunstigst is, hangt af van de economische situatie. Bij sterke loonstijgingen is welvaartsvast gunstiger, bij hoge inflatie zonder corresponderende loonstijgingen is waardevast beter.
De overheid en inflatie
De overheid profiteert vaak van loonstijgingen die het gevolg zijn van inflatie. Als prijzen stijgen, vragen mensen om hogere lonen om hun koopkracht te behouden. Wanneer mensen nominaal meer verdienen, betalen ze ook nominaal meer inkomstenbelasting, zelfs als het belastingpercentage gelijk blijft. De inkomsten voor de overheid stijgen zonder dat de belastingtarieven verhoogd hoeven te worden.
Een nadeel hiervan is dat het reële inkomen na belasting kan dalen. Om dit te compenseren, kan de overheid besluiten tot inflatiecorrectie. Dit is een aanpassing van de belastingtarieven aan de inflatie, zodat de belastingdruk in reële termen niet automatisch stijgt.
De geldillusie
In de politiek en de economie zijn 'koopkrachtplaatjes' erg belangrijk. Politieke partijen beloven vaak een verbetering van de koopkracht. Consumenten laten zich echter soms leiden door de geldillusie. Dit betekent dat een nominale verandering (meer geld in euro's) vaak meer indruk maakt dan een reële verandering (wat je daadwerkelijk meer kunt kopen).
Iemand die €500 extra per maand krijgt, kan hier erg blij mee zijn, zelfs als de prijzen zo hard gestegen zijn dat de koopkracht eigenlijk daalt. Een belofte van "één procent meer koopkracht" klinkt vaak minder aantrekkelijk, ook al is het in reële termen misschien gunstiger. De geldillusie kan ertoe leiden dat we ons meer richten op het bedrag in euro's dan op de daadwerkelijke koopkracht, wat niet altijd even handig is. Meer geld is immers niet leuk als je er minder mee kunt kopen.
Conjunctuurschommelingen en inflatie
Inflatie en de reactie van de economie erop kunnen leiden tot een versterking van conjunctuurschommelingen. Stel, er is onderbesteding, oftewel een laagconjunctuur, dan zijn dit de gevolgen:
1.In een laagconjunctuur daalt de vraag naar producten.
2.Fabrieken en bedrijven produceren minder.
3.Minder productie betekent minder vraag naar arbeid, wat leidt tot een stijgende werkloosheid.
4.Als de werkloosheid stijgt, daalt het gemiddelde loon (door minder vraag naar arbeid en meer mensen die een uitkering krijgen).
5.Een lager inkomen leidt tot nog minder vraag naar producten, omdat mensen minder te besteden hebben.
6.Dit zorgt ervoor dat de economie verder wegzakt in de laagconjunctuur.
Deze neerwaartse spiraal is onwenselijk en kan zichzelf versterken. Het tegenovergestelde van deze economische situatie is overbesteding (hoogconjunctuur). Een voorbeeld van een gevolg van overbesteding is een krappe arbeidsmarkt of stijgende inflatie.

Een stroomschema van de neerwaartse spiraal bij onderbesteding.













