Leerdoelen
•Je kunt uitleggen hoe banken de geldhoeveelheid kunnen vergroten of verkleinen.
Geldschepping door banken
Banken scheppen geld door leningen te verstrekken. Wanneer jij € 1.000 leent bij een bank, dan is dat geld in feite 'nieuw' geld dat op jouw rekening verschijnt. Door het gebruik van computers en giraal geld kunnen banken met een paar klikken op de knop dit geld op je rekening bijschrijven, zonder dat het fysiek aanwezig was op hun eigen rekening. Dit lijkt magisch, maar er zijn wel regels aan verbonden.
De liquiditeitseis: een vangnet voor banken
Banken kunnen niet zomaar onbeperkt krediet verlenen. Om de risico's van te veel uitgeleend geld te beperken, stelt de centrale bank een liquiditeitseis aan de gewone banken. Deze eis houdt in dat banken altijd voldoende liquide middelen (direct beschikbare middelen zoals contant geld en tegoeden bij de centrale bank) moeten hebben ten opzichte van hun kortlopende betalingsverplichtingen.
De centrale bank stelt deze eis op 20%. Dit betekent dat als jij € 1.000 leent, de bank minimaal € 200 (20% van de lening) in kas moet hebben om die lening te kunnen verantwoorden. Stel je voor dat iedereen massaal zijn geld contant wil opnemen: als het systeem dan niet voldoende liquide middelen heeft, klapt het in elkaar. De liquiditeitseis voorkomt dit door een buffer in te bouwen. De centrale bank kan door deze eis bij te stellen ook de geldhoeveelheid beïnvloeden.
De balans van een bank: activa en passiva
Om de financiële positie van een bank te begrijpen, kijken we naar de balans. Een balans heeft twee zijden:
•De linkerkant toont de activa: dit zijn de bezittingen van de bank.
•De rechterkant toont de passiva: dit zijn de schulden en het eigen vermogen van de bank.

Activa (bezittingen van de bank)
Liquide middelen
Het geld dat de bank direct beschikbaar heeft. Denk aan:
•Contanten: het fysieke geld in de kluis van de bank (€ 33 in het voorbeeld).
•Tegoeden bij de centrale bank: geld dat de bank bij de centrale bank heeft gestald (€ 77 in het voorbeeld).
Kredietverlening
Het geld dat de bank heeft uitgeleend aan klanten (€ 1.200 in het voorbeeld).
Verplichte kasreserve
Een deel van de liquide middelen dat de bank verplicht moet aanhouden (hier € 12).
Passiva (schulden van de bank)
Rekening-couranttegoeden
Het geld dat klanten op hun betaalrekening hebben staan. Voor de bank is dit een schuld, want klanten kunnen dit geld direct opnemen. Als jij € 100 op je rekening hebt, moet de bank jou dit bedrag kunnen uitkeren. (In ons voorbeeld € 300).
Direct opneembare spaartegoeden
Spaartegoeden die klanten snel kunnen opnemen, bijvoorbeeld via een app. Ook dit zijn kortlopende verplichtingen voor de bank. (In ons voorbeeld € 200).
Eventuele schuld bij de centrale bank
Als de bank zelf geld heeft geleend van de centrale bank.
Termijndeposito's en eigen vermogen
Deze posten zijn er ook, maar spelen een minder belangrijke rol bij de berekening van de liquiditeitspositie, omdat het om langlopende zaken gaat.
[Plaatje/tabel: Een vereenvoudigde bankbalans, met de genoemde posten en de voorbeeldgetallen, waarbij activa = passiva]
Berekening van de liquiditeitspositie
De centrale bank wil dat de bank een bepaald percentage van de kortlopende schulden in kas heeft. Laten we berekenen of de bank aan de liquiditeitseis van 20% voldoet met de gegeven cijfers.
1.Bepaal de totale liquide middelen:
1.Contanten: € 33
2.Tegoed bij Centrale Bank: € 77
3.Totaal liquide middelen:
2.Bepaal de totale kortlopende schulden:
1.Rekening-couranttegoeden: € 300
2.Direct opneembare spaartegoeden: € 200
3.Totaal kortlopende schulden:
3.Bereken de liquiditeitspositie als percentage:
1.(Totale liquide middelen / Totale kortlopende schulden) * 100%
2.(\euro110/\euro500)*100\%=22\%(\euro110/\euro500)*100\%=22(\euro110/\euro500)*100\%=2(\euro110/\euro500)*100\%=(\euro110/\euro500)*100\%
In dit voorbeeld bedraagt de liquiditeitspositie van de bank 22%. Aangezien de liquiditeitseis 20% is, voldoet de bank hieraan. Sterker nog, de bank heeft nog wat ruimte over.
Ruimte voor extra kredietverlening
De bank voldoet aan de eis, maar hoeveel extra geld mag zij nog uitlenen zonder onder de 20% te zakken?
1.Bereken de maximaal toegestane kortlopende verplichtingen (schulden) voor de bank, gegeven haar liquide middelen:
1.Maximaal kortlopende verplichtingen = Totale liquide middelen / Liquiditeitseis (als decimaal)
2.Maximaal kortlopende verplichtingen =
2.Bereken de resterende ruimte voor extra kredietverlening:
1.De bank mag maximaal € 550 aan kortlopende verplichtingen hebben.
2.Zij heeft momenteel € 500 aan kortlopende verplichtingen.
3.Ruimte voor extra kredietverlening =
Deze bank heeft dus nog € 50 miljoen aan ruimte om extra krediet te verlenen. Dit extra krediet zal de geldhoeveelheid vergroten, totdat de liquiditeitspositie precies op 20% uitkomt.
Invloed van de centrale bank op de geldhoeveelheid
De centrale bank gebruikt de liquiditeitseis en andere instrumenten om de geldhoeveelheid te beïnvloeden en zo de economie te sturen.
Aanpassing van de liquiditeitseis (kasreserve)
1.Verhogen van de liquiditeitseis: als de centrale bank de eis bijvoorbeeld van 20% naar 25% verhoogt, moeten banken meer liquide middelen aanhouden. Hierdoor hebben ze minder ruimte om leningen te verstrekken, daalt de kredietverlening en wordt de geldhoeveelheid kleiner.
2.Verlagen van de liquiditeitseis: als de eis wordt verlaagd, hebben banken meer vrijheid om leningen te verstrekken. Dit stimuleert de kredietverlening en vergroot de geldhoeveelheid.
Het rente-instrument
De centrale bank kan de rente die banken betalen voor leningen bij de centrale bank verhogen of verlagen.
1.Rente verhogen: als de centrale bank de rente verhoogt, wordt het voor banken duurder om geld te lenen. Banken zullen deze hogere kosten doorberekenen aan hun klanten, waardoor lenen duurder wordt. Dit leidt tot minder kredietverlening en een daling van de geldhoeveelheid.
2.Rente verlagen: een lagere rente maakt lenen goedkoper voor banken en hun klanten. Dit stimuleert de kredietverlening en zorgt voor een toename van de geldhoeveelheid.













