Wat is een dienst?
Leerdoelen
•Je kunt het verschil uitleggen tussen goederen en diensten.
•Je kunt benoemen wat schaarse en vrije goederen zijn.
•Je kunt uitleggen welke productiefactoren er zijn.
•Je kunt uitleggen hoe mensen in hun behoefte aan goederen en diensten voorzien.
Wat is het verschil tussen goederen en diensten?
Goederen zijn tastbare producten. Je kunt ze vastpakken. Voorbeelden hiervan zijn een flesje water en een broodje.
Diensten zijn niet-tastbare producten. Het zijn werkzaamheden die iemand voor je uitvoert. Een busrit is bijvoorbeeld een dienst: iemand vervoert je van de ene plek naar de andere plek en daarvoor betaal je.
Schaarse goederen
Schaarse goederen zijn goederen waarvoor productiefactoren zijn gebruikt. Ze worden geproduceerd en kosten daarom meestal geld.
Voor de productie van een flesje water zijn bijvoorbeeld plastic, water, machines en menselijke arbeid nodig. Het flesje water is daarom een schaars goed.
Goederen en diensten waarvoor productiefactoren zijn gebruikt, zijn schaars omdat de productiefactoren ook voor iets anders ingezet hadden kunnen worden. Het materiaal waarmee een vliegtuig wordt gemaakt, had bijvoorbeeld ook gebruikt kunnen worden voor een bus of voor auto’s.
Welke productiefactoren zijn er?
Productiefactoren zijn middelen die worden ingezet om goederen en diensten te produceren. Er zijn vier productiefactoren:
1.Kapitaal: geld en machines die nodig zijn voor de productie.
2.Arbeid: het werk dat mensen uitvoeren.
3.Natuur: materialen en grondstoffen die uit de natuur komen, zoals water.
4.Ondernemerschap: het organiseren van de productie en ervoor zorgen dat een product goed wordt gemaakt.
De eerste letters van deze productiefactoren vormen het geheugensteuntje KANO:
Kapitaal – Arbeid – Natuur – Ondernemerschap.
Voorzien in behoeften
Mensen hebben behoefte aan goederen en diensten. Ze kunnen op twee manieren in deze behoeften voorzien:
1.Zelfvoorziening: je produceert zelf wat je nodig hebt. Met een moestuin kun je bijvoorbeeld zelf groenten verbouwen zonder deze te kopen. Vroeger voorzagen grotere groepen vaker gezamenlijk in hun behoeften.
2.Consumeren: je koopt goederen of diensten. Wanneer je groenten of fruit in de supermarkt koopt, ben je een consument.
Waarom moeten mensen keuzes maken?
Iedereen heeft behoefte aan schaarse goederen. Mensen hebben deze goederen nodig voor hun levensonderhoud, maar ook om hun leven beter of gelukkiger te maken of om iets aan anderen te geven.
De middelen waarmee mensen in hun behoeften kunnen voorzien, zijn echter beperkt. Belangrijke beperkte middelen zijn:
•geld
•tijd
Een vrije middag kun je maar één keer invullen. Je kunt bijvoorbeeld naar het zwembad of naar de Efteling, maar niet beide activiteiten tegelijkertijd doen. Ook heeft niemand oneindig veel geld. Je moet daarom bepalen wat binnen je budget past.
Er bestaat dus spanning tussen de behoeften van mensen en de beperkte middelen die zij hebben. Deze situatie dwingt mensen om keuzes te maken en prioriteiten te stellen. Het vak economie bestudeert deze spanning en de keuzes die mensen daardoor maken.
Met € 20 en een vrije middag kun je bijvoorbeeld het geld uitgeven aan een activiteit of product. Je kunt er ook voor kiezen om niets te doen en het geld op de bank te zetten. Welke keuze iemand maakt, verschilt per persoon en hangt onder andere af van hoeveel diegene al heeft gespaard.
Wat zijn vrije goederen?
Vrije goederen zijn goederen die vrij beschikbaar zijn en waarvoor geen productiefactoren zijn gebruikt. Ze worden niet geproduceerd en zijn gratis.
Regenwater is een voorbeeld van een vrij goed. Het valt uit de lucht en iedereen mag het gebruiken. Dat een goed vrij is, betekent niet dat het altijd beschikbaar is. In de zomer valt bijvoorbeeld minder regen. Een vrij goed is er dus wel of niet, maar je hoeft er niet voor te betalen.















