Les over 1.3 Heb je geld nodig om te ruilen?

Les over 1.3 Heb je geld nodig om te ruilen?

Gemaakt door Ainstein
1.3 Heb je geld nodig om te ruilen?
Deze video bestaat uit
  • Ruilen en de functies van geldRuilen en de functies van geld
  • Koopkracht en reëel inkomen berekenenKoopkracht en reëel inkomen berekenen
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 10:21
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Heb je geld nodig om te ruilen? Ontdek hoe geld werkt

Leerdoelen

Je kunt het ontstaan van geld en de functies van geld uitleggen.

Je kunt beschrijven wat de randvoorwaarden van een geldsysteem zijn.

Je kunt de verschillende waardes van geld uitleggen.

Je kunt uitleggen wat inflatie betekent en een procentuele stijging of daling berekenen.

Je kunt een stijging of daling van de koopkracht met indexcijfers berekenen.

Directe en indirecte ruil

In de tijd van jagers en boeren waren mensen grotendeels zelfvoorzienend. Spullen die men niet zelf produceerde, werden rechtstreeks tegen elkaar geruild. Het ruilen van goederen tegen andere goederen noem je directe ruil. Directe ruil kost vaak veel tijd, omdat beide partijen precies moeten willen wat de ander aanbiedt.

Schema van directe ruil tussen twee producten
Schema van directe ruil tussen twee producten

Toen mensen zich meer gingen specialiseren, werd handel steeds belangrijker. Om het ruilen eenvoudiger te maken, ontstond de behoefte aan één algemeen geaccepteerd ruilmiddel, zoals zout, goud of geld. Het ruilen van goederen met behulp van een ruilmiddel noem je indirecte ruil.

Schema van indirecte ruil met een ruilmiddel zoals geld
Schema van indirecte ruil met een ruilmiddel zoals geld

Geld vervult drie functies:

Ruilmiddel: het gebruiken van geld om goederen en diensten te kopen en te verkopen.

Rekenmiddel: het gebruiken van geld om de waarde van een product te bepalen en prijzen onderling te vergelijken.

Spaarmiddel: het bewaren van geld om het op een later moment uit te geven.

Voorwaarden van een geldsysteem

Niet alles kan zomaar als ruilmiddel dienen. Er zijn vier technische vereisten waaraan een goed ruilmiddel moet voldoen:

Draagbaar: het ruilmiddel moet gemakkelijk mee te nemen zijn.

Deelbaar: het ruilmiddel moet opgedeeld kunnen worden in kleinere eenheden.

Houdbaar: het ruilmiddel mag niet snel bederven of beschadigen.

Moeilijk te reproduceren: het ruilmiddel moet lastig na te maken zijn om valsmunterij te voorkomen.

Naast deze technische eisen moeten alle deelnemers aan het ruilsysteem het vertrouwen hebben dat geld zijn waarde behoudt. Dit vertrouwen noem je fiducie. Omdat ons huidige geld op dit vertrouwen is gebaseerd, noemen we geld fiduciair.

Vormen en waardes van geld

Geld komt voor in twee verschillende vormen:

Chartaal geld: tastbaar geld in de vorm van bankbiljetten en munten.

Giraal geld: niet-tastbaar geld dat op een betaalrekening staat en te zien is op een bankafschrift.

Schema van de verdeling van geld in chartaal geld en giraal geld
Schema van de verdeling van geld in chartaal geld en giraal geld

Bij geld maken we een onderscheid tussen twee soorten waarden:

Intrinsieke waarde: de materiële waarde van het materiaal waarvan het geld gemaakt is (zoals de waarde van het metaal of papier).

Extrinsieke waarde: de nominale waarde of gebruikswaarde, oftewel het bedrag dat op het biljet of de munt staat vermeld.

Inflatie, deflatie en het berekenen van prijsveranderingen

Je koopkracht geeft aan hoeveel goederen en diensten je kunt kopen met een bepaald bedrag. De koopkracht verandert als de prijzen veranderen. Bij een stijging van het gemiddelde prijspeil spreek je van inflatie. Hierdoor kun je met hetzelfde geld minder kopen en daalt je koopkracht. Als het gemiddelde prijspeil daalt, spreek je van deflatie. Het inflatiepercentage bereken je met de formule voor een procentuele stijging of daling:

Formule voor het berekenen van een procentuele verandering
Formule voor het berekenen van een procentuele verandering

Koopkracht en rekenen met indexcijfers

Het bedrag dat je als inkomen ontvangt, heet het nominaal inkomen. Wat je daadwerkelijk met dit inkomen kunt kopen, heet het reëel inkomen (oftewel je koopkracht). Om de koopkracht op peil te houden, moet een prijsstijging worden gecompenseerd door een even grote inkomensstijging. Veranderingen in prijzen, inkomens en koopkracht kun je eenvoudig vergelijken met behulp van indexcijfers. Een indexcijfer laat de procentuele verandering zien ten opzichte van een afgesproken periode, het basisjaar. Het basisjaar krijgt altijd het indexcijfer 100. Je berekent een algemeen indexcijfer als volgt: Om de verandering van de koopkracht (het reëel inkomen) te berekenen, gebruik je de formule voor de reële inkomensindex: