Les over 1.1 Waar heb jij behoefte aan?
Schaarste

Waar heb jij behoefte aan? Behoeften, geld en budget
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen dat er verschillende soorten behoeften bestaan.
•Je kunt de spanning tussen behoeften en middelen uitleggen.
•Je kunt goederen en diensten van elkaar onderscheiden.
•Je kunt alternatieve aanwendbaarheid van middelen uitleggen.
Behoeften en schaarste
Mensen hebben voortdurend wensen. In de economie noemen we alle wensen die mensen hebben behoeften. Deze behoeften worden onderverdeeld in twee categorieën:
•Primaire behoeften (of basisbehoeften): wat je noodzakelijk nodig hebt om te kunnen leven, zoals eten, drinken, kleding, onderdak, gezondheidszorg en onderwijs.
•Secundaire behoeften (of overige behoeften): wensen die het leven prettiger of aangenamer maken, zoals een smartphone, make-up, snoep of een bezoek aan de bioscoop.
Om in behoeften te voorzien zijn middelen nodig, zoals tijd en geld. Omdat deze middelen niet oneindig aanwezig zijn, ontstaat er schaarste. Schaarste wil zeggen dat je niet genoeg middelen hebt om in al je behoeften te voorzien, waardoor je keuzes moet maken. Producten waarvoor middelen (zoals grondstoffen, arbeid of machines) moeten worden ingezet om ze te maken, zijn schaarse goederen. Goederen waarvoor geen middelen ingezet hoeven te worden, noemen we vrije goederen, zoals zonlicht en wind.
Consumeren, goederen en diensten
Wanneer mensen producten kopen om in hun behoeften te voorzien, noemen we dat consumeren. De mensen of huishoudens die producten kopen, zijn consumenten. Producten die worden gekocht, zijn op te delen in goederen en diensten:
•Goederen: tastbare producten. Hierin maken we nog onderscheid tussen:
•Gebruiksgoederen: goederen die je meerdere keren kunt gebruiken, zoals een broodtrommel, een fiets of kleding.
•Verbruiksgoederen: goederen die je maar één keer kunt gebruiken, zoals broodjes of frisdrank.
•Diensten: niet-tastbare activiteiten waarmee in iemands behoefte wordt voorzien, zoals het geven van bijles of bediening in een restaurant.
Middelen zoals tijd en geld zijn alternatief aanwendbaar. Dit betekent dat je ze op verschillende manieren kunt gebruiken om in je behoeften te voorzien. Als je er bijvoorbeeld voor kiest om zelf je brood klaar te maken voor school, pas je zelfvoorziening toe: je offert tijd op om geld te besparen. Ook bedrijven maken keuzes over hoe zij hun middelen alternatief aanwenden bij de productie.
Inkomsten, uitgaven en de begroting
Om je uitgaven te kunnen doen, heb je een inkomen nodig. Dit is het geld dat een huishouden met regelmaat ontvangt. Er zijn drie soorten inkomen:
•Inkomen uit arbeid: beloning voor verrichte arbeid, zoals loon of salaris.
•Inkomen uit bezit: opbrengst uit bezittingen, zoals rente op een spaarrekening of huurontvangsten van een pand.
•Overdrachtsinkomen: inkomen dat je ontvangt zonder dat je daar een directe tegenprestatie voor levert, zoals zakgeld, kleedgeld of een uitkering.
Het totale bedrag aan inkomsten dat je in een bepaalde periode ontvangt, vormt je budget. De uitgaven van een huishouden worden onderverdeeld in drie groepen:
•Vaste lasten: uitgaven die met een vaste regelmaat terugkomen en waarvan het bedrag meestal vaststaat, zoals huur, hypotheek, verzekeringen en abonnementen.
•Huishoudelijke uitgaven: alledaagse uitgaven voor het huishouden, zoals boodschappen, persoonlijke verzorging en uitgaan.
•Incidentele uitgaven: grote uitgaven die niet vaak voorkomen, zoals een vakantie of een autoreparatie. Hiervoor is het verstandig om geld te reserveren (sparen).
Een begroting is een overzicht van je verwachte inkomsten en verwachte uitgaven in een komende periode (zoals een week, maand of jaar). Het opstellen van een begroting helpt om inzicht te krijgen in je financiën. Om bedragen uit verschillende perioden met elkaar te kunnen vergelijken, reken je ze om met de volgende formules:
•Van week naar maand:
•Van maand naar week:
Keuzes maken met een budgetlijn
In de economie gebruiken we vaak een model: een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid om economische keuzes beter te begrijpen. Een belangrijk voorbeeld hiervan is de budgetlijn. Een budgetlijn geeft de grenzen van je budget aan en laat zien welke combinaties van twee producten je maximaal kunt kopen bij een gegeven inkomen. De algemene formule van een budgetlijn luidt: Waarbij het totale budget is, en de prijzen zijn van product en product , en en de gekochte aantallen voorstellen. Om zelf een budgetlijn te tekenen, volg je dit stappenplan:
1.Stel de budgetformule op met de bekende prijzen en het beschikbare budget.
2.Bereken de twee snijpunten met de assen: stel eerst in om het maximale aantal van product te berekenen, en stel vervolgens in om het maximale aantal van product te berekenen.
3.Teken een assenstelsel met het aantal van product op de horizontale as (-as) en het aantal van product op de verticale as (-as).
4.Plaats de twee berekende snijpunten op de bijbehorende assen.
5.Teken een rechte lijn tussen deze twee punten.
Ruilhandel en de functies van geld
In de geschiedenis waren mensen voornamelijk zelfvoorzienend. Wanneer er wel sprake was van ruil, gebeurde dat door middel van directe ruil: het ruilen van goederen tegen andere goederen. Naarmate specialisatie toenam, ontstond de behoefte aan een algemeen geaccepteerd ruilmiddel. Het ruilen van goederen met behulp van een ruilmiddel noemen we indirecte ruil. Geld vervult in onze economie drie belangrijke functies:
•Ruilmiddel: geld gebruiken om goederen en diensten te kopen.
•Rekenmiddel: geld gebruiken om de waarde van verschillende producten vast te stellen en te vergelijken.
•Spaarmiddel: geld bewaren om er op een later moment uitgaven mee te doen.
Om als goed ruilmiddel te functioneren, moet geld voldoen aan vier technische vereisten: het moet draagbaar, deelbaar, houdbaar en moeilijk te reproduceren (na te maken) zijn. Daarnaast is fiducie noodzakelijk: het vertrouwen van alle deelnemers dat het geld zijn waarde behoudt. Omdat ons geld zijn waarde dankt aan dit vertrouwen, noemen we het fiduciair geld.
Vormen van geld, waarde en koopkracht
Geld komt voor in twee vormen:
•Chartaal geld: tastbaar geld in de vorm van bankbiljetten en munten.
•Giraal geld: niet-tastbaar geld dat op een betaalrekening bij de bank staat.
We maken bij geld onderscheid tussen de intrinsieke waarde (de waarde van het materiaal waarvan het geld gemaakt is) en de extrinsieke waarde (de nominale waarde of gebruikswaarde die op het geld staat aangegeven). Koopkracht (ook wel het reëel inkomen genoemd) is de hoeveelheid goederen en diensten die je met een bepaald bedrag kunt kopen. Je nominale inkomen is het bedrag dat je in euro's ontvangt. De koopkracht verandert door verandering van de prijzen:
•Inflatie: een stijging van het gemiddelde prijspeil, wat leidt tot een daling van de koopkracht.
•Deflatie: een daling van het gemiddelde prijspeil.
Een procentuele stijging of daling bereken je met de formule: Om veranderingen in koopkracht en prijzen gemakkelijk te vergelijken, maken we gebruik van indexcijfers. Een indexcijfer geeft de procentuele verandering weer ten opzichte van een gekozen basisjaar (welk altijd de waarde 100 krijgt): De verandering van het reële inkomen (de koopkracht) bereken je met de indexcijferformule: