Falsche Freunde
Als je Duits leert, kom je vaak woorden tegen die erg lijken op Nederlandse woorden. Dit kunnen echter woorden zijn die heel andere betekenissen hebben. Deze woorden noemen we Falsche Freunde. In deze les bespreken we verschillende woorden in het Duits en hun juiste Nederlandse vertalingen. Dit helpt je om misverstanden te voorkomen!
1. Brut (Duits) - brutaal (Nederlands)
Uitleg: het Duitse woord brut betekent "bruut" of "hard". Brutaal betekent in het Duits frech.
Voorbeeld: "Die Jungs waren sehr frech!" - de jongens waren heel brutaal!
2. Doos (Duits) - doos (Nederlands)
Uitleg: de Duitse vertaling van doos is "Schachtel" of “Karton” en is dus niet letterlijk doos. In het Duits verwijst het woord “doos” naar een blikje, zoals een colablikje.
Voorbeeld: "Die Schachtel ist leer." - de doos is leeg.
3. Zins (Duits) - rente (Nederlands)
Uitleg: Zins betekent "rente" op de bank. Het Nederlandse woord rente betekent dus die Zinsen in het Duits. Het Duitse woord “rente” verwijst naar pensioen.
Voorbeeld: "Wie hoch sind die Zinsen?" - hoe hoog is de rente?
4. Ziel (Duits) - ziel (Nederlands)
Uitleg: ziel betekent "doel" in de zin van iets dat je wilt bereiken in het Duits. Dit kan iets zijn wat je in je leven wilt bereiken zoals het halen van een toets of afstuderen, dit is wel anders dan een doelpunt in een sport bijvoorbeeld. De Nederlandse betekenis van het woord ziel (de ziel van een persoon) is dus heel anders dan de betekenis van het woord ziel in het Duits.
Voorbeeld: "Das Ziel ist es, die Prüfung zu bestehen." - het doel is om te slagen voor de toets.
5. Eng (Duits) - eng (Nederlands)
Uitleg: in het Duits betekent eng "smal" of "nauw". Het Nederlandse woord eng betekent "griezelig" of iets "unheimlich".
Voorbeeld: "Die Straße ist sehr eng." - de straat is erg smal.
6. Faul (Duits) - vuil (Nederlands)
Uitleg: in het Nederlands betekent vuil "vies", terwijl het Duitse equivalent schmutzig is. Faul in het Duits betekent iets heel anders; namelijk “lui” of "luiaard".
Voorbeeld: "Das Zimmer ist sehr schmutzig." - de kamer is erg vuil.
7. Pleiten (Duits) - pleiten (Nederlands)
Uitleg: het Nederlandse woord pleiten betekent pleiten voor een zaak, maar in het Duits betekent pleiten "failliet gaan" of "geen geld meer hebben".
Voorbeeld: "Er ist pleite." - hij is failliet.
8. Passieren (Duits) - passeren (Nederlands)
Uitleg: passieren betekent "gebeuren" in het Duits, terwijl passeren in het Nederlands "langsgaan" betekent.
Voorbeeld: "Was passiert hier?" - wat gebeurt hier?
9. Gift (Duits) - gift (Nederlands)
Uitleg: in het Nederlands betekent gift een "cadeau". Maar in het Duits verwijst gift naar "vergif".
Voorbeeld: "Ich möchte dir ein Gift geben." - ik wil je een cadeau geven.
10. Wissen (Duits) - wissen (Nederlands)
Uitleg: het Duitse woord wissen betekent "weten", terwijl het Nederlandse wissen betekent "wegdoen" of "verwijderen".
Voorbeeld: "Ich weiß es nicht." - ik weet het niet.
Tips om verkeerde vertalingen te voorkomen
•Oefen regelmatig met beide talen, vooral de woorden die op elkaar lijken.
•Maak gebruik van voorbeelden uit boeken of gesprekken om de juiste betekenis te leren.
•Vraag je docent om hulp als je twijfelt over de betekenis van een woord.













