Vul de open plekken in.
De 1e, 3e en 4e naamval in het Duits
Wat zijn naamvallen?
Naamvallen zijn verschillende vormen die woorden in een zin kunnen aannemen, afhankelijk van hun functie. In het Duits zijn er verschillende naamvallen, maar in deze les focussen we ons op de 1e, 3e en 4e naamval. Je leert ook wat de der-gruppe en de ein-gruppe zijn en hoe je woorden in de juiste naamval plaatst.
Herhaling van persoonlijke voornaamwoorden
In een eerdere video hebben we al gekeken naar de persoonlijke voornaamwoorden. Het is belangrijk om te weten welke voornaamwoorden bij welke naamval horen, en te begrijpen dat het voorzetsel invloed kan hebben op de naamval.
Functies van de naamvallen
1e naamval: onderwerp
De 1e naamval duidt het onderwerp van de zin aan. Je kunt dit vinden door de vraag wie of wat plus gezegde te stellen. Bijvoorbeeld: “Hij leest een boek.”
•Wie leest? - hij.
3e naamval: meewerkend voorwerp
De 3e naamval geeft het meewerkend voorwerp aan, en je kunt het vinden door de vraag aan of voor wie of wat plus gezegde, plus onderwerp, plus lijdend voorwerp te stellen. Bijvoorbeeld: "Hij geeft hem een boek."
•Voor wie geeft hij het boek?- voor hem.
4e naamval: lijdend voorwerp
De 4e naamval duidt het lijdend voorwerp aan. Je kunt dit vinden door de vraag wie of wat plus gezegde plus onderwerp te stellen. Bijvoorbeeld:“Hij leest het boek.”
•Wat leest hij?- het boek.
Der-gruppe en ein-gruppe
Het is belangrijk om te weten of je met de der-gruppe of de ein-gruppe werkt:
•Der-gruppe: dit zijn de lidwoorden die de of het betekenen, bijv. der, die, das.
•Een-gruppe: dit zijn woorden die een betekenen en ook bezittelijke voornaamwoorden zoals mijn, je, zijn.
Voorbeelden van de naamvallen
1e naamval voorbeelden
Bijvoorbeeld in de zin: "Der Mann ist groß."
Wie is groot? de man.
Der Mann is de 1e naamval.
In een andere zin: "Seine Frau ist kleiner."
Wie is kleiner? zijn vrouw.
Zijn is een bezittelijk voornaamwoord en hoort bij de ein-gruppe.
4e naamval voorbeelden
Voorbeeldzin: "Ich rufe den Chef gleich an."
Wie belt op? ik. (1e naamval)
Wie/wat bel ik op? de chef. (4e naamval)
In de zin "Der Chef hört sein Handy klingeln."
Wie hoort? de chef. (1e naamval)
Wie/wat hoort de chef? zijn telefoon. (4e naamval)
3e naamval voorbeelden
In de zin "Der Mann gibt seiner Frau ein Geschenk."
Wie geeft? de man. (1e naamval)
Wat geeft de man? een geschenk. (4e naamval)
Aan wie/wat geeft de man? aan zijn vrouw. (3e naamval)
Stappenplan voor het toepassen van naamvallen
1.Ontleed de zin en bepaal welke naamval je nodig hebt.
2.Bekijk welke groep je nodig hebt: der-gruppe of ein-gruppe.
3.Bepaal het geslacht van het woord: is het mannelijk, vrouwelijk, onzijdig of meervoud?
Praktische oefeningen
Hieronder volgen een paar zinnen om zelf te oefenen. Probeer de juiste naamval te bepalen voor de woorden mijn, het, en een.
Bijvoorbeeld: "Meine Mutter gibt dem Kind ein Geschenk."
•Wie geeft? mijn moeder (1e naamval).
•Wie/wat geeft ze? een geschenk (4e naamval).
•Aan wie geeft ze? aan het kind (3e naamval).
Met deze informatie en oefeningen kun je nu aan de slag met de 1e, 3e en 4e naamval in het Duits! Veel succes, en vergeet niet eventuele vragen te stellen als iets niet duidelijk is. Tjus!













