Leerdoelen
•Je kunt bepalen in welke situaties het zinvol is om een woordenboek te gebruiken en wanneer niet.
•Je kunt de verschillende typen woorden identificeren die je in een woordenboek kunt opzoeken.
•Je kunt woorden op de juiste manier opzoeken in een woordenboek.
Wanneer gebruik je geen woordenboek?
Het is niet altijd nodig om elk onbekend woord op te zoeken. Er zijn verschillende situaties waarin je je woordenboek beter dicht kunt laten:
•De betekenis wordt later in de tekst uitgelegd: soms geeft de schrijver van een tekst verderop in dezelfde zin, of in de volgende zin, al een verklaring of voorbeeld van het onbekende woord. Let hier dus goed op. Soms is een woord zelfs bedacht voor de tekst en bestaat het niet eens officieel.
•De betekenis is niet relevant voor de tekst: voordat je een woord opzoekt, vraag je jezelf af of je het woord of het betreffende zinsdeel echt nodig hebt om een vraag te beantwoorden of de tekst te begrijpen. Is het antwoord nee? Zoek het dan niet op, want dit kost onnodig veel tijd.
•Je kunt de betekenis zelf herleiden: veel Duitse woorden lijken op Nederlandse, Engelse of Franse woorden. Ken je bijvoorbeeld het Engelse woord computer of het Franse résumé, dan hoef je de Duitse variant waarschijnlijk niet op te zoeken. De betekenis is vaak hetzelfde.
•Afkortingen: de meeste woordenboeken besteden weinig aandacht aan afkortingen. Sommige afkortingen kom je echter heel vaak tegen, zoals ZB. (zum Beispiel), wat 'bijvoorbeeld' betekent, en USW (und so weiter), wat 'enzovoort' of 'etcetera' betekent.
Wanneer gebruik je wel een woordenboek?
Je pakt je woordenboek er wel bij als:
•de betekenis van het woord relevant is om de tekst te begrijpen.
•je het woord vaker tegenkomt in de tekst en er geen uitleg bij wordt gegeven.
•je het woord nodig hebt voor het beantwoorden van een vraag.
Welke woorden zoek je op in het woordenboek?
In het woordenboek zoek je meestal de volgende typen woorden op:
•Signaalwoorden: dit zijn belangrijke woordjes die de samenhang van een tekst aangeven, zoals 'omdat', 'want' of 'ten eerste'.
•Zelfstandige naamwoorden: dit zijn woorden waar je 'de' of 'het' voor kunt zetten, zoals 'huis', 'tafel' of 'stoel'.
•Hele werkwoorden en voltooide deelwoorden: bijvoorbeeld arbeiten (werken).
•Vervoegingen van werkwoorden: deze staan meestal in een apart lijstje achterin het woordenboek, niet bij de werkwoorden zelf. Hier vind je de 'ik-vorm', de 'hij/zij/het-vorm' en soms de verleden tijd.
De vertalingen
Een belangrijke tip bij het opzoeken van woorden is: lees verder dan alleen de eerste vertaling. Vaak heeft een woord meerdere betekenissen.
•Meerdere betekenissen: kijk naar het voorbeeld van het woord anlegen. De eerste vertaling kan 'aanleggen' of 'zetten' zijn. Maar als je verder leest, zie je misschien ook een betekenis als 'een sieraad aandoen'. Als je twijfelt welke vertaling het beste past, schrijf dan de mogelijke vertalingen op bij de tekst. Lees de zin ervoor, de zin zelf en de zinnen erna nog eens door. Vaak wordt dan duidelijk welke vertaling het meest passend is.
Hoe vind je de juiste vertaling en grammaticale informatie?
Woordenboeken geven veel meer informatie dan alleen de vertaling. Hier zijn de belangrijkste aanwijzingen:
•Komma na de vertaling: volgt er een komma na een vertaling? Dan zijn de daaropvolgende woorden synoniemen of hebben ze vergelijkbare betekenissen. Bijvoorbeeld bij het woord Kreuz kan 'knooppunt' gevolgd worden door ', klaverblad'. De betekenissen liggen dicht bij elkaar.
•Nummer na de vertaling: volgt er een nummer na een vertaling? Dan heeft het woord een andere, niet-vergelijkbare betekenis. Zo kan Kreuz (1) 'kruis' betekenen, maar (2) 'knooppunt' of (3) 'rug'.
•Cijfers achter een woord of verwijzing grammatica: deze verwijzen naar een grammaticaal overzicht achterin het woordenboek, bijvoorbeeld voor werkwoordsvervoegingen.
•Letters M, V, O en MV: deze letters geven het geslacht van een zelfstandig naamwoord aan. M staat voor mannelijk, V voor vrouwelijk, O voor onzijdig en MV voor meervoudsvorm.
•Plustekens (+): dit lijkt op een wiskundige formule, maar het is grammaticale informatie!
•De eerste plus geeft de tweede naamval aan. Bij het woord 'Kreuz' (onzijdig, dus das Kreuz) zie je vaak '+es' staan. Dit betekent dat de tweede naamval 'des Kreuzes' is.
•De tweede plus geeft de meervoudsvorm aan. Bij Kreuz zie je bijvoorbeeld '+e', wat betekent dat de meervoudsvorm 'die Kreuze' is.
•Sterretjes (*): een klein sterretje (*) naast een woord of betekenis verwijst naar voorbeeldzinnen, meestal onderin de pagina. Deze zinnen laten zien hoe het woord in een context wordt gebruikt, wat kan helpen de betekenis te verduidelijken. Bijvoorbeeld Kreuzen quer durch of Kehrt ins Kreuz.
Tips voor het efficiënt opzoeken van woorden
Om zo snel en effectief mogelijk woorden te vinden:
•Vervoegingen van werkwoorden: zet vervoegde werkwoorden altijd om naar het hele werkwoord. Zoek je het woord 'arbeitest' op? Zoek dan arbeiten. Hier vind je de vertalingen 'werken' of 'functioneren'.
•Zelfstandige naamwoorden: zoek zelfstandige naamwoorden altijd op in de enkelvoudige vorm.
•Samengestelde woorden: Duitse woorden kunnen erg lang zijn, zoals Fahrradventilkappenhersteller (fietsventieldopjesfabrikant). Deze vind je waarschijnlijk niet in één keer. Splits het woord op in de afzonderlijke woorden (fiets, ventiel, dop, fabrikant) en zoek deze los op.
•Lidwoord en geslacht: wil je weten of een samengesteld woord 'der', 'die' of 'das' krijgt? Kijk dan naar het laatste zelfstandige naamwoord in het woord. Is dat bijvoorbeeld der Meister? Dan wordt het der Halsmeister.
•Woorden met een umlaut (ä, ö, ü): zoek woorden met een umlaut op alsof de puntjes er niet zijn. Dus äußern zoek je op bij de 'A', öffnen bij de 'O' en üben bij de 'U'. Ze staan gewoon tussen de woorden met de normale letters.
•Woorden met een Ringel-S (ß): de Ringel-S (ß) zoek je op alsof het een dubbele S (ss) is. Als je bijvoorbeeld Fuß wilt opzoeken, zoek je in het woordenboek bij 'Fuss'.
Algemene tips voor woordenboekgebruik
•Relevantie: zoek een woord pas op als de betekenis ervan echt noodzakelijk is om de tekst te begrijpen.
•Tijdmanagement: het opzoeken van woorden kost tijd. Gemiddeld ben je 60 seconden kwijt per woord. Dit betekent dat als je tien woorden opzoekt, je al tien minuten van je examentijd kwijt bent. Ongeveer een halfuur 'extra' tijd is vaak ingecalculeerd in een examen voor het opzoeken van woorden en langer lezen. Zoek je echter twintig of dertig woorden op per tekst, dan kom je al snel in tijdnood.
•Schrijf vertalingen op: wanneer je een woord hebt opgezocht, schrijf de vertaling dan altijd direct op bij de tekst. Dit voorkomt dat je het woord later opnieuw moet opzoeken, wat weer tijd en frustratie bespaart.
•Twijfel over vertaling? Schrijf dan alle mogelijke vertalingen op die in aanmerking komen. Lees de tekst nogmaals aandachtig door. Vaak wordt dan duidelijk welke vertaling het meest passend is in de context.














