Hoe kun je in het Duits vragen welke kleur iemands haar is?
Leerdoelen
•Je kunt vragen stellen en beantwoorden over je favoriete kleding.
•Je kunt vragen stellen en beantwoorden over iemands oog- en haarkleur.
•Je kunt vragen stellen, beantwoorden en je mening geven over het uiterlijk van iemand anders.
Iemand beschrijven
Voordat je iemand kunt beschrijven, is het handig om te weten wie die persoon is. Wil je bijvoorbeeld een foto van je vader of moeder laten zien? Of van je broer, zus, of je beste vriend of vriendin? Dan is het belangrijk dat je weet hoe je deze relaties in het Duits zegt. Zoek deze woorden zelf op als je ze nog niet kent!
Das ist… |
|---|
mein (Stief-)Vater |
meine (Stief-)Mutter |
mein (Stief-)Bruder |
meine (Stief-)Schwester |
mein Freund |
meine Freundin |
Das sind… |
meine Eltern |
meine Geschwister |
Favoriete kleding beschrijven
Als je wilt vragen wat iemand het liefste draagt, kun je in het Duits verschillende zinnen gebruiken.
Vragen stellen over kleding | |
|---|---|
Was trägst du am liebsten? Was trägt er/sie am liebsten? Was trägt er/sie heute? | Wat draag je het liefst?Wat draagt hij/zij het liefst?Wat draagt hij/zij vandaag? |
Antwoorden geven over kleding | |
Ich trage oft… Ich trage am liebsten… | Ik draag vaak… Ik draag het liefste... |
Kledingstukken die je zou kunnen dragen:
Duits | Nederlands |
|---|---|
eine Bluseein Hemdeinen RockJeans eine Hoseein Kleidein T-Shirteinen Pullovereine Jackeeine Mütze eine Ketteein Armbandeinen Schal/HalstuchOhrringeein Piercingeine Uhr | een blouse een overhemd / hemd een rok jeans / spijkerbroek een broek een jurk een T-shirt een trui / pullover een jas een muts een ketting een armband een sjaal / halsdoek oorbellen een piercing een horloge |
Voorbeeld:
•Er trägt ein blaues Hemd und ein graues T-Shirt. → Hij draagt een blauw overhemd en een grijs T-shirt.
Oog- en haarkleur beschrijven
Om te vragen welke kleur iemands ogen of haren zijn, zeg je:
Vragen stellen over oog- en haarkleur | |
|---|---|
Welche Farbe sind ihre Augen/Haare?Welche Farbe sind seine Augen/HaareWelche Farbe sind deine Augen/Haare? | Welke kleur zijn haar (van een vrouw) ogen/haren?Welke kleur zijn zijn (van een man) ogen/haren?Welke kleur zijn jouw ogen/haren? |
Antwoorden geven over oog- en haarkleur | |
Seine/Ihre Augen/Haare sind... | Zijn/Haar ogen/haren zijn... |
braunblaugrünschwarz | bruinblauwgroenzwart |
Je kunt ook een andere zinsconstructie gebruiken:
Duits | Nederlands |
|---|---|
Sie hat blaue Augen. | Ze heeft blauwe ogen. |
Seine Haare sind schwarz. | Zijn haren zijn zwart. |
Algemeen uiterlijk beschrijven
Als je wat algemener naar het uiterlijk van iemand kijkt, bijvoorbeeld of iemand er goed uitziet, kun je de volgende vraag stellen:
Vragen stellen over het algemeen uiterlijk | |
|---|---|
Wie sieht er/sie aus? | Hoe ziet hij/zij eruit? |
Antwoorden geven over het algemeen uiterlijk | |
Er/sie sieht sehr gut aus. | Hij/zij ziet er goed uit. |
Er/sie sieht sehr sportlich aus. | Hij/zij ziet er sportief uit. |
Er/sie sieht sehr nett/freundlich aus. | Hij/zij ziet er heel aardig/vriendelijk uit. |
Er/sie sieht super aus. | Hij/zij ziet er super uit. |
Let op: het woord schön (mooi) wordt alleen gebruikt bij vrouwen. Je zegt dus:
•Sie sieht schön aus. (Zij ziet er goed uit.)
Bij mannen zeg je altijd:
•Er sieht gut aus. (Hij ziet er goed uit.)
Je mening geven over kleding en uiterlijk
Als je je mening wilt geven over iemands uiterlijk of kleding, zijn er ook verschillende manieren om dit te doen.
Vragen stellen over iemands kleren | |
|---|---|
Wie steht mir dieses T-shirt? | Hoe staat dit t-shirt mij? |
Antwoorden geven over iemands kleding | |
Das T-Shirt steht dir sehr gut. | Het t-shirt staat je heel goed. |
Deine Hose gefällt mir. | Jouw broek bevalt me/vind ik leuk. |
Deine Jeans passen gut zu deinen Schuhen. | Jouw spijkerbroek past goed bij jouw schoenen. |
Als je een kledingstuk minder mooi vindt, of als het te groot of te klein is, kun je bijvoorbeeld zeggen:
•Deine Bluse ist zu klein. (Jouw blouse is te klein.)
Zinnen uitbreiden met 'aber'
Je kunt je zinnen nog wat uitbreiden door het woordje aber (maar) te gebruiken.
•Dein Hemd steht dir sehr gut, aber es ist ein bisschen zu klein. (Jouw overhemd staat je heel goed, maar het is een beetje te klein.)
Net als eerder, als je het over een vrouw hebt, gebruik je ihre en bij een man gebruik je seine. Heb je het direct tegen iemand, dan gebruik je deine.
Voorbeeld: Ellie beschrijven

Dit is Ellie:
•Das ist Ellie.
•Sie sieht freundlich und schön aus. (Ze ziet er vriendelijk en mooi uit.)
•Sie hat braune Haare und braune Augen. (Ze heeft bruin haar en bruine ogen.)
•Ellie trägt bunte Kleidung, sie trägt eine blaue Mütze und einen rosa Pullover. (Ellie draagt kleurrijke kleding, ze draagt een blauwe muts en een roze trui.)
•Sie trägt auch einen weißen Schal. (Ze draagt ook een witte sjaal.)
•Mir gefällt der Schal. (De sjaal bevalt mij/vind ik mooi.)














