De modale werkwoorden worden in de verleden tijd opgebouwd met een stam met daarachter een regelmatige uitgang. Vul achter de onderstaande woorden de juiste uitgangen in de verleden tijd in.
Modale werkwoorden in de verleden tijd
Wat zijn modale werkwoorden?
Modale werkwoorden zijn werkwoorden die gebruiken om aan te geven hoe iets gebeurt in een zin. Ze voegen een bepaalde modaliteit toe aan de hoofdwerkwoorden. Modale werkwoorden zijn essentieel in de Duitse taal. Om je te helpen ze te onthouden, is er een handig ezelsbruggetje: de klas moet maar snel wegwezen. Iedere eerste letter van dit zinnetje staat voor een modaal werkwoord.
Lijst van modale werkwoorden:
•dürfen (mogen)
•können (kunnen)
•mögen (houden van)
•müssen (moeten)
•wollen (willen)
•wissen (weten)
Let op dat wissen officieel geen modaal werkwoord is, maar het wordt wel op dezelfde manier vervoegd. Controleer dus altijd in je boek of je dit werkwoord moet leren.
Vervoegingen in de verleden tijd
In de verleden tijd van modale werkwoorden zijn er, in tegenstelling tot de tegenwoordige tijd, geen twee verschillende stammen. Het is belangrijk om de stam en de standaarduitgangen te leren. De standaarduitgangen voor alle modale werkwoorden in de verleden tijd zijn:
•-te
•-test
•-te
•-ten
•-tet
•-ten
Voorbeeld: dürfen en können
Laten we de verleden tijd van de werkwoorden dürfen en können bekijken:
dürfen (mogen):
•ich durfte
•du durftest
•er/sie/es durfte
•wir durften
•ihr durftet
•Sie/sie durften
können (kunnen):
•ich konnte
•du konntest
•er/sie/es konnte
•wir konnten
•ihr konntet
•Sie/sie konnten
Voorbeeldzinnen
Gebruik van dürfen
•Ich durfte mich gestern bis 10 Uhr mit Freunden treffen.
•Lena und Manix durften in die Stadt gehen.
Gebruik van können
•Du konntest das neue Videospiel schon am Wochenende spielen.
•Meine Lehrerin konnte mir heute morgen gut mit dem Lernstoff helfen.
Voorbeelden van andere modale werkwoorden
Zullen en moeten
Bij de werkwoorden sollen en müssen heb je ook een standaard stam en standaarduitgangen.
•mussen (moeten):
Tim und Kamal mussten heute morgen früh aufstehen.
•sollen (zullen):
Du sollest gestern dein Zimmer aufräumen.
Willen en houden van
Bij de werkwoorden wollen en mögen geldt hetzelfde.
•wollen (willen):
Mein freund wollte gestern mit mir zusammen kochen.
•mögen (houden van):
Meine mutter mochte den neuen Film nicht.
Weten
Het werkwoord wissen is ook belangrijk.
•wissen (weten):
Wusstet ihr die richtige Antwort?
Stappenplan voor gebruik
Het is essentieel om een stappenplan te volgen bij het vervoegen en toepassen van modale werkwoorden in de verleden tijd:
1.Welk werkwoord heb ik nodig?
2.Welke persoon staat er in de zin?
3.Wat is de juiste vervoeging?
Zorg ervoor dat je de rijtjes van de werkwoorden goed opschrijft en oefent. Dit helpt je om ze gemakkelijker te onthouden.
Belangrijke focuspunten
Onthoud de modale werkwoorden en het ezelsbruggetje de klas moet maar snel wegwezen.
Let op de standaarduitgangen: te, test, te, ten, tet, ten.














