Vul de regels aan met de juiste begrippen. Kies uit: bevriend - du – Sie - kinderen - duzen – familieleden – siezen - zestien.
Het gebruik van "du" en "Sie"
Wat is het verschil?
Je weet al dat du "jij" betekent en Sie "u". Het is belangrijk om te weten in welke situaties je deze aanspreekvormen gebruikt.
Het gebruik van "du"
Wanneer gebruik je "du"?
Je gebruikt du in de volgende situaties:
•Familieleden: tegen alle familieleden, zoals ouders, broers, zussen en grootouders (zelfs als ze 85 jaar oud zijn).
•Goede vrienden en kennissen: mensen die je goed kent.
•Medeleerlingen: tegen al je klasgenoten op school.
•Jongeren tot 16 jaar: tegen alle jongeren die jonger zijn dan 16 jaar.
Als je twijfelt, kun je het beste iemand aanspreken met Sie.
Het gebruik van "Sie"
Wanneer gebruik je "Sie"?
Je gebruikt Sie in de volgende situaties:
•Onbekenden: als je iemand op straat aanspreekt om de weg te vragen.
•Mensen vanaf 16 jaar: je spreekt ook Sie aan als je met oudere mensen praat, zoals leraren op de middelbare school.
Twijfel je?
Als je twijfelt of iemand du of Sie is, stel dan de vraag: “Wollen wir uns duzen oder siezen?” Dit geeft je meteen een duidelijk antwoord.
Samenvatting
Wanneer gebruik je "du"?
•Alle familieleden
•Goede vrienden en kennissen
•Medeleerlingen
•Jongeren tot 16 jaar
Wanneer gebruik je "Sie"?
•Onbekenden
•Mensen vanaf 16 jaar
Bij twijfel gebruik je de vraag: "Wollen wir uns duzen oder siezen?"
Door deze tips kun je beter aan de slag met je spreek- en schrijfopdrachten en weet je precies wanneer je du en Sie moet gebruiken.














