Hoe vraag je in het Duits aan iemand waar hij of zij woont?
Leerdoelen
•Je kunt vragen stellen en beantwoorden over de volgende onderwerpen:
•je woonplaats.
•het huis waarin je woont.
•met wie jij in jouw huis woont.
•hoe jouw slaapkamer en huis eruitzien.
Waar en hoe woon je?
Je woonplaats beschrijven
Vraag: "Wo wohnst du?" - Waar woon jij?
Antwoord: "Ich wohne in..." gevolgd door de naam van je dorp of stad.
Het huis geschrijven
Vraag: "Wie wohnst du?" - Hoe woon jij? (Let op: "wie" betekent "hoe" in het Duits.)
Antwoorden:"Ich wohne in einem Reihenhaus." - Ik woon in een rijtjeshuis."Ich wohne in einem Appartement." - Ik woon in een appartement."Ich wohne in einem Einfamilienhaus." - Ik woon in een eengezinswoning.
Je huisgenoten beschrijven
Vraag: "Mit wem wohnst du?" - Met wie woon jij?
Antwoord: "Ich wohne mit meinen Eltern und meinen Geschwistern." - Ik woon met mijn ouders en mijn broers en zussen.
Het uiterlijk van je huis en slaapkamer beschrijven
Hoe ziet je huis eruit?
Vraag: "Wie sieht dein Haus aus? - Hoe ziet je huis eruit?
Beschrijf je huis met zinnen als:"Mein Haus ist schön." - Mijn huis is mooi."Mein Haus ist gemütlich." - Mijn huis is gezellig."Mein Haus ist neu/alt." - Mijn huis is nieuw/oud.“Mein Haus ist weiß/rot/dunkel.” - Mijn huis is wit/rood/donker.
Hoe ziet je slaapkamer eruit?
Vraag: "Wie sieht dein Schlafzimmer aus?" - Hoe ziet jouw slaapkamer eruit?
Antwoorden:"Mein Schlafzimmer ist groß/klein." - Mijn slaapkamer is groot/klein. "Mein Schlafzimmer hat grüne/blaue/weiße Wände." - Mijn slaapkamer heeft groene/blauwe/witte muren.
Wat staat er in je slaapkamer?
Gebruik zinnen als:"In meinem Zimmer steht ein Bett." - In mijn kamer staat een bed."In meinem Zimmer steht ein Schreibtisch." - In mijn kamer staat een bureau."In meinem Zimmer steht ein Kleiderschrank." - In mijn kamer staat een kledingkast.














