Leerdoelen
•Je kunt structuur aanbrengen in je presentatie.
•Je kunt een korte presentatie geven over een alledaags, persoonlijk onderwerp.
Algemene tips voor presenteren
•Gebruik signaalwoorden en standaardzinnetjes: deze zorgen voor structuur en maken het makkelijker voor je publiek om je te volgen.
•Spreek rustig en las pauzes in: dit geeft je publiek de tijd om na te denken over wat je hebt gezegd.
•Gebruik steekwoorden: schrijf geen lange teksten op je briefje of diapresentatie. Steekwoorden helpen je om je verhaal te vertellen zonder alles uit je hoofd te leren.
Inleiding van je presentatie
•Verwelkom je publiek: begin met een begroeting, zoals "Guten Tag und herzlich willkommen zu meiner Präsentation."
•Stel jezelf kort voor: vertel je naam en leeftijd, bijvoorbeeld "Ich heiße..."
•Introduceer je onderwerp: gebruik zinnen als "Ich präsentiere heute über..." of "Ich spreche heute über..."
•Benoem de thema's: maak een korte opsomming van de onderwerpen die je gaat behandelen, met structuurwoorden zoals "erstens", "zweitens", en "zum Schluss".
Middenstuk van je presentatie
•Toelichting van thema's: bespreek de thema's die je in de inleiding hebt genoemd. Bijvoorbeeld, stel je familie voor of bespreek je hobby's.
•Gebruik signaalwoorden: voeg diepte toe met woorden als "außerdem" (bovendien), "aber" (maar), "auch" (ook), en "weil" (omdat).
•Geef je mening: gebruik zinnen als "Ich finde Fußball toll, weil ich es schon lange mache."
Slot van je presentatie
•Korte samenvatting: vat je presentatie kort samen, bijvoorbeeld "Kurz zusammengefasst, habe ich über meine Familie und meine Hobbys gesprochen."
•Bedank je publiek: zeg bijvoorbeeld "Vielen Dank fürs Zuhören."
•Geef gelegenheid voor vragen: vraag "Gibt es noch Fragen?" om je publiek de kans te geven vragen te stellen.














