Welke kenmerken horen bij zwakke werkwoorden?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat sterke werkwoorden zijn.
•Je kunt de regel van de a-ä Wechsel bij sterke werkwoorden correct toepassen.
Wat zijn sterke werkwoorden?
In het Duits, net als in het Nederlands, zijn er sterke werkwoorden en zwakke werkwoorden. Maar let op: wat in het Nederlands sterk is, hoeft dat in het Duits niet zo te zijn! Elke taal heeft zijn eigen regels voor zwakke en sterke werkwoorden.
Sterke werkwoorden zijn werkwoorden waarvan de stam in de verleden tijd verandert. Denk aan Nederlandse voorbeelden zoals:
•ik loop (tegenwoordige tijd) - ik liep (verleden tijd)
•ik roep - ik riep
Bij zwakke werkwoorden blijft de stam gelijk in de verleden tijd:
•ik kook - ik kookte
•ik maak - ik maakte
Bij een sterk werkwoord verandert dus de stamvorm, terwijl bij een zwak werkwoord de stam blijft staan.
De a-ä-regel bij sterke werkwoorden
Als een sterk werkwoord in het Duits een ‘a’ in de stam heeft, krijgt deze 'a' vaak een umlaut (ä). Dit noemen we de a-wissel. Deze wissel vindt plaats bij de vervoeging in de du-vorm en de er/sie/es/man-vorm. Deze regel geldt alleen voor de tegenwoordige tijd.
Voorbeelden van de a-ä-regel
Enkele voorbeelden van werkwoorden met een 'a' in de stam, die bij de du-vorm en de er/sie/es/man-vorm een ‘ä’ krijgen:
Fahren (rijden)
•ich fahre
•du fährst
•er/sie/es/man fährt
•wir fahren
•ihr fahrt
•sie/sie fahren
Waschen (wassen)
•ich wasche
•du wäschst
•er/sie/es/man wäscht
•wir waschen
•ihr wascht
•sie/sie waschen
Enkele voorbeelden van sterke werkwoorden met ‘au’ in de stam krijgen ‘äu’ bij de du-vorm en de er/sie/es/man-vorm:
Laufen (lopen)
•ich laufe
•du läufst
•er/sie/es/man läuft
•wir laufen
•ihr lauft
•sie/sie laufen
Saufen (drinken)
•ich saufe
•du säufst
•er/sie/es/man säuft
•wir saufen
•ihr sauft
•sie/sie saufen














