Geef van elk van de onderstaande beweringen aan of deze wel of niet overeenkomt met het fragment.
1.Eva's wens om naar Berlijn te gaan, is voornamelijk ingegeven door haar academische ambities.
2.Het onbegrip van haar vader laat Eva aan haar keuze voor een studie in Berlijn twijfelen.
3.Eva's vader vindt dat de universiteit van Berlijn slecht aangeschreven staat.
4.Eva's vader is in de DDR-tijd hoop blijven houden op de mogelijkheid om vrij te kunnen reizen.
5.De steun van haar moeder in de keuze voor vertrek uit Leipzig komt voor Eva als een verrassing.
6.Eva had als kind gemengde gevoelens over de stad Berlijn, maar hield deze voor zichzelf.
7.De mate van aandacht die moeder aan Eva en Juri gaf, varieerde afhankelijk van haar stemming.
8.Bij aankomst in Berlijn hadden Eva's broer en de verhuurder van de woning meteen een klik met elkaar.
Noteer achter elk nummer op het antwoordblad 'wel' of 'niet'.
