Geef van elk van de onderstaande beweringen aan of deze wel of niet overeenkomt met het fragment.
1.Vader vindt het overdreven dat de kinderen speciaal voor een vakantie nieuwe kleren nodig hebben.
2.Vader ergert zich aan de chaotische inslag van moeder.
3.De ik-persoon weigert partij te kiezen als de ouders ruzie maken.
4.De ik-persoon heeft er een hekel aan om samen met moeder te winkelen.
5.De ik-persoon en Husch hebben een vergelijkbaar karakter.
6.Margarethe weet het winkelpersoneel handig te bespelen.
7.Vader laat bij de afwas per ongeluk iets stukvallen.
Noteer achter elk nummer op het antwoordblad 'wel' of 'niet'.
