Geef van elk van de onderstaande beweringen aan of deze wel of niet overeenkomt met het fragment.
1.Jule wil graag weten hoe het komt dat ze zo van reizen met de trein houdt.
2.Jakob wil verhinderen dat Jule tijdens de treinreis gaat dagdromen.
3.Jule en Jakob hebben ooit in Stralsund gewoond.
4.Jule is gefascineerd door het uitzicht dat je vanuit Stralsund op zee hebt.
5.Met de uitstapjes naar Hiddensee deed oma Jule een groot plezier.
6.Volgens Jule keek men er vroeger minder van op als kinderen zelfstandig met de trein reisden dan nu.
Noteer achter elk nummer op het antwoordblad 'wel' of 'niet'.
