Geef van elk van de onderstaande beweringen aan of deze wel of niet overeenkomt met het fragment.
1 De klant maakt door zijn baard en kleding een slonzige indruk. De klant heeft de winkel van Otto vaker bezocht.
3.De klant wekt de indruk moeite met praten te hebben.
4.De klant heeft een aandachtige blik.
5.Franz verlangt al geruime tijd terug naar zijn geboortestreek.
6.Freud is ten tijde van het fragment al tot ver buiten Wenen bekend.
7.Een behandeling door Freud is prijzig volgens Otto.
8.Otto raakt geïrriteerd door de vragenstellerij van Franz.
Noteer achter elk nummer op het antwoordblad 'wel' of 'niet'.
