Geef van elk van de onderstaande beweringen aan of deze wel of niet overeenkomt met het fragment.
1.Op de heenvlucht had Matze al het vermoeden dat de reis een verschrikking zou worden.
2.Sina is enthousiast over een koopwoning die zij en Matze zullen gaan betrekken.
3.Matze windt zich op over het neerbuigende gedrag van een man, met poloshirt, uit de businessclass.
4.Matze meent een medepassagiere al eens eerder gezien te hebben.
5.De eerste beschrijvingen in zijn reisgids hadden Matze meteen enthousiast gemaakt.
6.Matze overweegt een toneelstuk te schrijven over de belevenissen tijdens zijn reis door Namibië.
7.De reis door Namibië was bedoeld om een positieve impuls te geven aan de instabiele relatie tussen Matze en Sina.
8.Matze betreurt het dat hij het uitzoeken van de reis aan Sina heeft overgelaten.
Noteer achter elk nummer op het antwoordblad 'wel' of 'niet'.
