Geef van elk van de onderstaande beweringen aan of deze wel of niet overeenkomt met alinea 2.
Kruis aan 'wel' of 'niet' in de uitwerkbijlage.
1.Tom rijdt op een vast traject.
2.Tom vindt de omgang met passagiers erg prettig.
3.Tom vindt het geweldig om met een zwaar voertuig te rijden.
4.Tom ontwikkelt zich in zijn werk op meerdere gebieden.
