Geef van elk van de onderstaande beweringen aan of deze wel of niet overeenkomt met alinea 4.
Kruis aan 'wel' of 'niet' in de uitwerkbijlage.
1.Florian heeft tijdens wedstrijddagen een mascotte bij zich.
2.Voor de start van een wedstrijd maakt Florian graag contact met andere deelnemers om hem heen.
3.Florian ziet een nadeel in de aanpak van andere wedstrijddeelnemers.
4.Het startsignaal van een wedstrijd bezorgt Florian een bijzonder gevoel.
