Geef van elk van de volgende beweringen aan of deze overeenkomt met de tekst vanaf regel 22.
1.De ik-persoon voelt aan waarover het ontvangen berichtje gaat.
2.Jongeren zoeken op warme dagen verkoeling in het park.
3.De ik-persoon vond sommige kinderspelletjes stom.
4.De ik-persoon was als kind behoorlijk agressief.
5.Bij het voetballen voelde de ik-persoon zich gewaardeerd.
6.Door het skateboard veranderde het leven van de ik-persoon.
Noteer achter elk nummer 'wel' of 'niet'.
