Geef van elk van de volgende beweringen aan of deze overeenkomt met de tekst.
1.Johannes vond het leuk dat medeleerlingen hem 'Johnny' noemden.
2.Lana had het op de internationale scholen goed naar haar zin.
3.Toen Lana pas in L. woonde, begreep ze de mensen slecht vanwege hun dialect.
4.Het medeleven dat kennissen Lana's moeder toonden, was gespeeld.
5.Lana was er erg verdrietig over dat haar vader was weggegaan.
6.Lana wilde graag weg uit haar woonplaats L.
7.Lana heeft door een trucje Johnny's sleutelbos te pakken gekregen.
Noteer achter elk nummer 'wel' of 'niet'.
