Geef van elk van de volgende beweringen aan of deze overeenkomt met de inhoud van de tekst.
1.Een van Joachims vroegste herinneringen is die aan een ekster op zijn kinderwagen.
2.Joachim herinnert zich nog goed hoe hij als peuter keihard tegen een glazen schuifdeur is aangelopen.
3.Joachim en zijn broer speelden toen ze klein waren vaak wilde spelletjes.
4.Bij Joachim thuis is weleens een bal door een ruit getrapt tijdens het voetballen in de tuin.
5.Nadat Joachim als peuter ergens tegenaan gelopen was, is hij tijdelijk blind geweest.
6.De vader van Joachim had na het ongeluk van Joachim – toen deze net kon lopen – medelijden met hem.
7.Joachim herinnert zich dat hij met zijn fiets in een verzakking in de weg is gereden.
8.Enkele ongelukken uit Joachims jeugd hebben vervelende gevolgen gehad voor zijn ontwikkeling.
Noteer achter elk nummer op het antwoordblad ‘wel’ of ‘niet’.
