Geef van elk van de volgende beweringen aan of deze wel of niet overeenkomt met de inhoud van de tekst.
1.Juli denkt dat ze in één middag drie appartementen kan bezichtigen.
2.Juli zegt tegen Niels dat ze het uitmaakt.
3.Niels probeert het goed te maken met Juli.
4.Tijdens het wachten voert Juli gesprekjes met de voorbijgangers.
5.Juli's vader vond dat ze de bezichtiging van de appartementen beter alleen kon doen.
6.Juli verlaat de plek voor het huis waar ze heeft afgesproken even om in een café naar de wc te gaan.
7.De verhuurster reageert nogal onverschillig als Juli haar belt om te vragen waar ze blijft.
8.Juli vraagt zich af of ze zich wel voldoende op de bezichtiging van de appartementen heeft voorbereid.
Noteer achter elk nummer op het antwoordblad telkens 'wel' of 'niet'.
