Wat zijn organismen? Geef drie voorbeelden van organismen
Leerdoelen
•Je kunt vertellen wat een organisme is.
•Je kunt de 7 levenskenmerken benoemen.
•Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen leven, dood en levenloos.
•Je kunt het verschil tussen een levensloop en een levenscyclus uitleggen.
Biologie
Biologie is de studie van het leven. In de biologie bestuderen we alle levende wezens, die organismen worden genoemd. Voorbeelden van organismen zijn dieren, planten, schimmels en bacteriën.
De zeven levenskenmerken
Aan de hand van negen levenskenmerken wordt bepaald of iets leeft:
•Stofwisseling
•Gaswisseling
•Voeden
•Uitscheiden
•Waarnemen
•Groeien (en ontwikkeling)
•Voortplanten
•Bewegen
Soms moet je er maar 7 leren: dan worden stofwisseling en ontwikkeling niet genoemd
Bij elk type organisme kunnen de levenskenmerken er anders uitzien.
Gaswisseling
Met gaswisseling wordt de uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide (CO₂) bedoeld. Organismen zoals wij doen dit met onze longen. Wij nemen zuurstof op uit en geven CO₂ af aan de lucht. Planten doen het andersom: zij nemen CO₂ op uit de lucht en staan zuurstof af.
Voeden
Met voeden wordt het opnemen van voedingsstoffen bedoeld. Dieren doet dit door andere organismen op te eten en planten maken door zonlicht en CO₂ zelf voedingsstoffen.
Uitscheiden
Uitscheiden is het weghalen van overtollige stoffen, afvalstoffen of schadelijke stoffen. Denk bijvoorbeeld aan plassen, poepen, zweten en uitademen.
Waarnemen
Waarnemen is het reageren op prikkels uit de omgeving. Met prikkels worden bijvoorbeeld licht wat we kunnen zien, geluid wat we horen en temperatuur wat we kunnen voelen bedoeld.
Groeien
Elk organisme groeit en ontwikkelt zich. Je kan bijvoorbeeld zwaarder worden en volwassen worden.

Voortplanten
Voortplanten is ook een levenskenmerk, omdat voortplanten ervoor zorgt dat het organisme tot stand houdt. Zonder voortplanting zouden de organismen uitsterven. Voortplanting kan geslachtelijk en ongeslachtelijk voorkomen. Bij geslachtelijke voortplanting zijn er twee ouders betrokken en bij ongeslachtelijke is het nieuwe organisme een kopie van het oorspronkelijke organisme.
Bewegen
Elk organisme kan zich bewegen en verplaatsen. Dieren kunnen bijvoorbeeld lopen, zwemmen en/of vliegen. Planten draaien mee met de zon.
Leven, dood, levenloos
Alle organismen leven en gaan op een gegeven moment dood. Levenloze dingen daarentegen hebben nooit geleefd. Denk bijvoorbeeld aan rotsen en water. Die dingen maken wel deel uit van de natuur, maar zijn levenloos.

Levensloop en levenscyclus
Elk organisme heeft een levensloop en een levenscyclus. De levensloop begint bij de geboorte en eindigt bij de dood van één organisme.

Bij de levenscyclus kijken we ook naar de voortplanting. De levenscyclus houdt het organisme in stand en zorgt ervoor dat deze niet uitsterft. Zie bijvoorbeeld hieronder de levenscyclus van een vlinder.














