Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat een biotoop is.
•Je kunt het verschil tussen biotische en abiotische factoren benoemen.
•Je kunt uitleggen wat concurrentie is.
•Je kunt uitleggen wat biodiversiteit is.
•Je kunt uitleggen wat symbiose is en drie vormen van symbiose onderscheiden.
Biotoop
Een biotoop is de omgeving waarin organismen leven, met omstandigheden die geschikt zijn voor hun overleving. Voorbeelden van biotopen zijn:
•Bossen
•Weilanden
•Parken
•Stranden

Elke biotoop heeft unieke omstandigheden die we factoren noemen. Deze factoren zijn onderverdeeld in biotische en abiotische factoren.
Biotische en abiotische factoren
•Biotische factoren zijn levende elementen in een biotoop, zoals insecten, dieren, planten en bacteriën.
•Abiotische factoren zijn niet-levende elementen, zoals licht, schaduw, water, luchtvochtigheid, temperatuur, wind en de bodem.

Concurrentie in de natuur
Organismen hebben hun eigen plek in een biotoop, wat belangrijk is voor hun overleving. In dezelfde omgeving concurreren organismen voor voedsel en leefruimte. Minder concurrentie betekent een grotere overlevingskans. Bijvoorbeeld, vogels in een boom hebben elk hun eigen territorium, waardoor ze elkaar niet storen. Planten en bomen concurreren om licht, wat leidt tot groei in verschillende lagen, zoals te zien is in de afbeelding hiernaast.

Biodiversiteit: Variatie in leven
Biodiversiteit verwijst naar de verscheidenheid aan organismen in een biotoop. Hoe meer variatie er is in abiotische factoren, hoe groter de biodiversiteit kan zijn. Dit betekent dat er veel verschillende soorten organismen samenleven.
Symbiose: Samenleven van organismen
Symbiose is een nauwe samenwerking tussen twee organismen, waarbij ten minste één voordeel heeft. Er zijn drie vormen van symbiose:

Mutualisme
Beide organismen hebben voordeel. Bijvoorbeeld, een bloem en een bij; de bij krijgt nectar en de bloem wordt bestoven.
Commensalisme
Eén organisme heeft voordeel, terwijl de ander geen voordeel of nadeel heeft. Bijvoorbeeld, kleine zeediertjes op een walvis; de zeediertjes hebben een plek om te leven, de walvis merkt er niets van.
Parasitisme
Eén organisme heeft voordeel, terwijl de ander nadeel ondervindt. Bijvoorbeeld, een kat met vlooien; de vlooien hebben een plek om te leven, maar de kat heeft er last van.




