- Bevruchting
- Het versmelten van de celkern van een eicel met de celkern van een zaadcel.
- DNA doorgeven
- Het proces waarbij elke ouder vijftig procent van het DNA doorgeeft aan de nakomelingen.
- Eicel
- Een vrouwelijke geslachtscel, vaak beschreven als een grote ronde cel.
- Geslachtelijke voortplanting
- Voortplanting waarbij twee ouders betrokken zijn, één met zaadcellen en één met eicellen, en eigenschappen van beide ouders worden doorgegeven.
- Geslachtscellen
- De zaadcellen en de eicellen.
- Inwendige bevruchting
- Bevruchting die meestal binnen in het lichaam plaatsvindt.
- Kiempje
- Wat ontstaat wanneer een stuifmeelkorrel versmelt met een eicel, waaruit een nieuw plantje groeit.
- Kruisbestuiving
- Wanneer planten die of mannelijk of vrouwelijk zijn, andere planten van dezelfde soort nodig hebben om elkaar te bestuiven.
- Mijose
- Een speciale celdeling waarbij chromosomen in de cel worden verdeeld over de dochtercellen en hierbij gehalveerd worden, wat leidt tot geslachtscellen.
- Mitose
- De normale celdeling waarbij twee dochtercellen ontstaan met hetzelfde aantal chromosomen als de moedercel.
- Stuifmeelkorrel
- De mannelijke geslachtscellen van planten.
- Uitwendige bevruchting
- Bevruchting die buiten het lichaam plaatsvindt, bijvoorbeeld bij kikkers en vissen.
- Variatie
- De kleine verschillen in het uiterlijk van een organisme die ontstaan doordat het DNA steeds wordt vermengd.
- Zaadcel
- Een mannelijke geslachtscel, vaak beschreven als een lichte, witte cel met een staartje.
- Zelfbestuiving
- Wanneer planten met beide geslachtscellen in hun bloemen zichzelf bestuiven.