Vraag 26
Met opgeheven hoofd je examens in
  • Oefen de examens van de afgelopen 8 jaar, met uitleg van docenten bij elke vraag
  • Extra uitleg en oefenen bij elk onderwerp uit je examen
  • Loop je vast? Ainstein, je AI-tutor, kijkt met je mee en helpt je verder
1 punt
Open vraag
Aan het eind van de middeleeuwen, vanaf ongeveer het midden van de vijftiende eeuw, was het klimaat gedurende enkele decennia koeler. De frequentie van strenge winters op het noordelijk halfrond nam toe. Deze periode wordt de kleine ijstijd genoemd. De lage temperaturen gedurende de kleine ijstijd gingen gepaard met een lichte daling van de\mathrm{CO}_{2} \text{-concentratie}in de atmosfeer. Uit analyses van de huidmondjesdichtheid in de bladresten uit de bodemmonsters blijkt de\mathrm{CO}_{2} \text{-concentratie}echter al af te nemen vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw.

De lagere\mathrm{CO}_{2} \text{-concentratie}in de atmosfeer in de kleine ijstijd kan bijgedragen hebben aan de daling van de temperatuur.

Verklaar dat een lagere\mathrm{CO}_{2} \text{-concentratie}in de atmosfeer een lagere temperatuur tot gevolg kan hebben.

Op deze pagina behandelen we vraag 26 van het centraal examen biologie vwo 2021 tijdvak 2. Deze vraag is onderdeel van Huidmondjes in de middeleeuwen, en is 1 punt waard.

Je kunt hier zelf het antwoord invullen en vervolgens direct de uitwerking en uitleg bekijken.

Daarnaast kun je:

  • Oude antwoorden terugzien
  • Extra uitleg vragen aan onze AI-hulp via de knop "Stel je vraag"
  • Klikken op de bijbehorende onderwerpen uit de examenroute om verdieping te vinden