Waarop is de klimaatclassificatie van Köppen voornamelijk gebaseerd?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen hoe Köppen klimaten heeft ingedeeld (geclassificeerd).
•Je kunt uitleggen waar de classificatie van Köppen op is gebaseerd.
•Je kunt uitleggen wat klimaatgebieden zijn.
•Je kunt uitleggen waardoor verschillen tussen klimaten van plaatsen met dezelfde breedteligging ontstaan.
Hoe werkt het klimaatsysteem van Köppen?
Basis
Het systeem start bij de evenaar, aangeduid als 0 graden, waar je het A-klimaat vindt. Dit omvat voornamelijk het tropische regenwoudklimaat. Naarmate je je verplaatst naar het noorden of zuiden, veranderen de klimaten in B-klimaten (woestijn en steppe), gevolgd door C- en D-klimaten (gematigd zeeklimaat en continentaal klimaat). Tot slot heb je de E-klimaten, de polaire klimaten, ver van de evenaar.
Tweede letter
Köppen voegt een tweede (kleine) letter toe aan de hoofdklimaten om droogte- en neerslagpatronen aan te duiden. Voorbeelden hiervan zijn:
•w = wintertrocken, voor droge winters
•s = sommertrocken, voor droge zomers
•f = fehlt, waar er geen droge periode is
Bijzondere gevallen
Binnen het systeem zijn er specifieke classificaties voor extreem droge gebieden (B-klimaten) en koude klimaten (E-klimaten), waaronder woestijn (BW) en steppe (BS), tundra (ET) en eeuwigvriezend (EF), evenals het hoogteklimaat (EH).

Klimaatgebieden
Elke letter van het klimaatsysteem van Köppen wordt vaak geassocieerd met een bepaald klimaatgebied. Dit zijn gebieden die hetzelfde soort klimaat hebben. Hieronder zie je een tabel met een overzicht van welk klimaatgebied bij welke letter hoort.
Klimaat Köppen | Klimaatgebied |
|---|---|
A | Tropische regenklimaten |
B | Droge klimaten |
C + D | Maritieme klimaten (van gematigde zone)Continentale klimaten |
E | Polaire klimaten |
Verschillen in klimaat
Niet alle gebieden op dezelfde breedtegraad hebben hetzelfde klimaat. Factoren zoals hoogteligging, zee- en oceaanstromen, windpatronen en ligging ten opzichte van gebergten kunnen klimaten significant beïnvloeden.
Factor | Regel |
|---|---|
Breedteligging | Hoe verder van de evenaar, hoe kouder. |
Hoogteligging | Hoe hoger op een berg (of in de dampkring), hoe kouder. |
Temperatuur boven land en boven zee/oceaan | Temperatuurverschillen boven land/continent zijn groter dan temperatuurverschillen boven zee/oceaan. |
Aflandige en aanlandige wind | Aflandige wind zorgt voor grote temperatuurverschillen;
aanlandige wind zorgt voor kleine temperatuurverschillen. |
Zee-/oceaanstromen | Een warme zeestroom voert warmte aan (+ vochtige lucht);
een koude zeestroom voert koelte/kou aan (+ drogere lucht). |
Ligging van gebergte | Een gebergte kan warme of koude lucht tegenhouden. |
De rol van kaarten
Om de complexiteit van klimaten te begrijpen en te verklaren waarom bepaalde gebieden een specifiek klimaat hebben, is het noodzakelijk verschillende soorten kaarten te raadplegen:
•Klimaatkaarten
•Reliëfkaarten
•Kaarten van zeestromingen
•Luchtdrukkaarten














