Noem drie kenmerken waaraan je een stad kunt herkennen.
Leerdoelen
•Je kunt aangeven in welke drie categorieën grote steden ingedeeld kunnen worden
•Je weet hoe de meeste Amerikaanse steden zijn opgebouwd
•Je weet hoe de meeste Europese steden zijn opgebouwd
•Je weet hoe de meeste niet-westerse steden zijn opgebouwd
Hoe zijn steden opgebouwd?
In deze les leer je hoe steden zijn opgebouwd en wat de verschillen zijn tussen Amerikaanse, Europese en niet-westerse steden. Ook ontdek je waar je winkels vindt in verschillende soorten steden.
Wat maakt een stad?
Een stad herken je aan:
•Dichte bebouwing: veel gebouwen staan dicht bij elkaar.
•Hoge bevolkingsdichtheid: veel mensen wonen dicht op elkaar.
•Beroepsbevolking: veel mensen werken in de industrie (secundaire sector) of in diensten (tertiaire sector).
•Voorzieningen: veel winkels, scholen, werkplekken en het bestuur.
Drie soorten steden
Megasteden
Megasteden hebben meer dan 10 miljoen inwoners. In Nederland hebben we deze steden niet. Voorbeelden zijn:
Mexico-Stad, Jakarta (Indonesië), Delhi (India)
Wereldsteden
Wereldsteden zijn belangrijk voor de hele wereld op economisch, politiek of cultureel gebied. Bekende voorbeelden:
Tokyo, New York, Shanghai
Hoofdsteden
Een hoofdstad is meestal de belangrijkste stad van een land, zoals Amsterdam in Nederland. Een hoofdstad hoeft niet altijd groot te zijn of een wereldstad te zijn.
Sommige steden vallen in meerdere categorieën. New York is bijvoorbeeld een megastad én een wereldstad.
Verschillen in opbouw van steden
Amerikaanse steden
De opbouw van een Amerikaanse stad ziet er als volgt uit:
•Centrum (Central Business District - CBD):
•Hoge wolkenkrabbers, kantoren en winkels.
•Bijna geen woningen.
•Oudere woonwijken:
•Niet goed onderhouden.
•Bewoners met lagere inkomens.
•Middenklassenwijken:
•Gemiddeld inkomen.
•Enige industrie aanwezig.
•Suburbs (buitenwijken):
•Ruim opgezet en netjes.
•Hoge inkomens.
•Grote winkelcentra (shopping malls).

Europese steden
Europese steden zoals Amsterdam zijn anders opgebouwd:
•Historisch centrum:
•Oude gebouwen, winkels en grachten.
•Woningen vaak boven winkels.
•Oudere woonwijken (bijvoorbeeld jaren '30):
•Kantoren en woningen gemengd.
•Naoorlogse wijken:
•Gebouwd na Tweede Wereldoorlog.
•Veel woningen uit de jaren '70 en '80.
•Nieuwere wijken en industrie:
•Aan de rand van de stad.

Niet-westerse steden
Steden in bijvoorbeeld Azië zijn vaak snel gegroeid door industrie:
•Minder goed gepland, veel functies door elkaar.
•Meerdere zakencentra met hoge gebouwen.
•Bedrijventerreinen en industrie verspreid door de stad.
•Gated communities: woonwijken met hekken eromheen voor rijke bewoners.
•Sloppenwijken: zelfgebouwde woningen van mensen met weinig geld, zoals in Delhi (India).
Waar vind je winkels in een stad?
Waar je winkels vindt hangt af van waar je bent:
•Amerikaanse stad: winkels in grote winkelcentra (shopping malls) aan de rand van de stad.
•Europese stad: winkels in het historische centrum.
•Niet-westerse stad: winkels verspreid over meerdere delen van de stad.













