Leerdoelen
•Je kunt de belangrijkste redenen voor het verdwijnen van de industrie uit Nederlandse steden tot 1990 benoemen.
•Je kunt de gevolgen van het vertrek van industrie voor Nederlandse steden benoemen.
•Je kunt uitleggen op welke manier de Nederlandse economie weer is gaan groeien na het vertrek van de industrie.
•Je kunt benoemen wat de overblijfselen zijn van het industrieel verleden van Nederland.
Industrie verlaat de stad (tot 1990)
Tot ongeveer 1990 zagen we in Nederland een duidelijke trend: fabrieken, en dan met name de maakindustrie, verlieten de steden. Deze verschuiving had meerdere oorzaken, zowel op mondiaal als op lokaal niveau.
Op mondiaal niveau speelde vooral de zoektocht naar lagere productiekosten een rol. Veel grote bedrijven sloten hun vestigingen in Nederland en verplaatsten hun productie naar lagelonenlanden, waar de arbeid goedkoper was. Dit had tot gevolg dat er in Nederland veel werkgelegenheid in de industrie verloren ging.
Op lokaal niveau waren er andere, meer directe redenen. Fabrieken veroorzaakten vaak veel overlast voor omwonenden. Denk hierbij aan herrie, lawaai, uitstoot van schadelijke stoffen, vervuiling en de constante aan- en afvoer van grondstoffen en halffabricaten door vrachtverkeer. Bovendien waren bedrijven in steden beperkt in hun groei; er was simpelweg geen ruimte meer om uit te breiden.
Waar gingen ze naartoe?
Wanneer bedrijven de stad verlieten, zochten ze nieuwe locaties waar wel ruimte was voor groei en waar minder directe overlast voor bewoners zou zijn. Vaak vestigden ze zich aan de randen van steden of in de buitengebieden. Dit gebeurde zowel op nationaal niveau (bijvoorbeeld bedrijven die de Randstad verlieten) als op lokaal niveau (bedrijven die van het stadscentrum naar de stadsrand verhuisden).
De opkomst van de diensteneconomie (vanaf 1990)
Vanaf 1990 onderging de Nederlandse economie een belangrijke transformatie. Het land ontwikkelde zich steeds meer tot een succesvolle diensteneconomie, gekenmerkt door een focus op specialistische vormen van dienstverlening. Vooral financieel-administratieve dienstverlening bereikte in Nederland een hoog niveau.
Deze verschuiving vereiste een toenemend aantal hoogopgeleide professionals. Het aantal mensen dat hoger onderwijs volgde, aan universiteiten of hbo's, steeg dan ook aanzienlijk om aan deze nieuwe vraag te voldoen.
De stad als centrum van diensten
Deze nieuwe diensten vestigden zich bij voorkeur in steden. Vaak namen ze hun intrek op oude bedrijfsterreinen die leeg waren komen te staan door het vertrek van de industrie. Om deze terreinen geschikt te maken voor nieuwe functies, was er echter wel herstructurering nodig. Dat betekent dat de terreinen niet alleen werden omgebouwd voor kantoren, maar ook aantrekkelijk werden gemaakt met extra voorzieningen zoals woningen en horeca. Je ziet nu in veel steden waar grote binnenstedelijke bedrijfsterreinen waren een mengeling van deze functies ontstaan. Dit maakt de stad opnieuw een aantrekkelijke plek om te wonen, werken en recreëren.
Gevolgen voor Nederlandse steden
Re-urbanisatie en agglomeratievoordelen
De komst van nieuwe diensten en de herstructurering van oude terreinen maakten de stad weer extra populair. Eerst vanwege de werkgelegenheid in de dienstensector, maar later ook door de toevoeging van voorzieningen zoals horeca en cultuur, en de mogelijkheid om er te wonen. Dit leidde tot re-urbanisatie, oftewel een hernieuwde groei van de stad en een terugkeer van mensen naar de stedelijke gebieden. De stad oefende een enorme aantrekkingskracht uit, met name op de jongere beroepsbevolking. Door deze concentratie van mensen, diensten en voorzieningen ontstonden er opnieuw agglomeratievoordelen, wat de stad nog aantrekkelijker maakte en bijdroeg aan een stijgende welvaart in stedelijke gebieden.
Industrieel erfgoed krijgt nieuwe bestemming
Een opvallend gevolg van de transformatie is de herwaardering van industrieel erfgoed. Oude fabrieksgebouwen, die soms jarenlang leegstonden, zijn nu populair. Mensen vinden ze mooi en de gebouwen lenen zich vaak uitstekend voor ombouw tot woningen, kantoren of voorzieningen zoals restaurants en culturele centra. Dit maakt deze milieus aantrekkelijk om te bezoeken, te wonen of te werken. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in steden als Eindhoven en Amsterdam.
Gevolgen voor buitengebieden
Terwijl de steden weer opbloeiden, ondervonden de buitengebieden, oftewel het platteland, ook de gevolgen van de economische veranderingen. Hier zijn de trends vaak omgekeerd. De jeugd trekt weg, vaak richting de Randstad, voor opleiding en werk. De bedrijven die zich in de buitengebieden vestigden, zorgden daar voor meer overlast, terwijl die uit de steden verdween. Het vertrek van jongeren leidt tot vergrijzing van de bevolking op het platteland, wat uiteindelijk kan resulteren in een dalende welvaart in deze gebieden. Deze ontwikkeling is sinds 1990 sterk zichtbaar.
De belangrijke rol van industrie in het verleden
Na de Tweede Wereldoorlog speelde de industrie een cruciale rol in de Nederlandse economie. Er waren grote industriële centra in de grote steden, waar bijvoorbeeld auto's, schepen en machines werden geproduceerd. De regio Eindhoven stond bekend om zijn elektronica-industrie, en Twente had een grote textielindustrie.
In deze industriële regio's ontstonden ook technische universiteiten (zoals in Delft, Eindhoven en Enschede). Deze universiteiten leverden de hoogopgeleide beroepsbevolking die nodig was voor de innovatieve Nederlandse industrie, die zich onderscheidde door de hoge kwaliteit van haar producten.
Impact van de industrietransformatie
Het vertrek van de industrie had ingrijpende gevolgen. In de jaren tachtig van de vorige eeuw leidde dit tot aanzienlijke werkloosheid in de grote steden. Ook ging veel kennis en ervaring in industriële processen verloren. Technische universiteiten moesten hun aanbod aanpassen, omdat de vraag naar specifiek industrieel opgeleid personeel afnam. De agglomeratievoordelen die samenhingen met de industrie verdwenen.
Toch bracht de transformatie naar diensteneconomie ook nieuwe kansen met zich mee. Steden werden aantrekkelijke vestigingsmilieus voor diensten. Hoofdkantoren van multinationale ondernemingen vestigden zich er, en er ontstond een concentratie van hoogwaardige zakelijke dienstverlening. De beroepsbevolking in steden is nu vaak hoogopgeleid en richt zich op de 3 O's: onderzoek, ontwikkeling en ontwerp. Door het vertrek van fabrieken kwam er veel bedrijfsruimte vrij, en het industriële erfgoed werd populair om te herbestemmen. Dit alles maakte steden bijzonder aantrekkelijk voor jonge, hoogopgeleide professionals en zorgde voor nieuwe, dienstgerichte agglomeratievoordelen. Dit alles leidde vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw tot re-urbanisatie.