Bekijk bron 10.
Naar aanleiding van bron 10 worden drie uitspraken gedaan.
Uitspraak 1: bij Y waait een aanlandige wind.
Uitspraak 2: bij Z is het overwegend zonnig weer.
Uitspraak 3: de kans op neerslag is bij Y groter dan bij X.
$\rightarrowNeem de cijfers 1, 2 en 3 van de uitspraken over op het antwoordblad en zet erachter of de uitspraak juist of onjuist is.
