Les over 6 SPELLING
OB - Nederlands - D2 - Presentatie
Bijvoeglijk naamwoord
Meervouden en verkleinwoorden
Samenstellingen
Werkwoordspelling persoonsvorm - + 2 video's

Spelling: alles over foutloos spellen en werkwoorden
Leerdoelen
•Je kunt hoofdletters en leestekens op de juiste manier toepassen in een Nederlandse tekst.
•Je kunt bepalen of een woord eindigt op een -t of een -d door de juiste spellingregels toe te passen.
•Je kunt de korte en lange vorm van bijvoeglijke naamwoorden correct spellen.
•Je kunt zelfstandige naamwoorden correct in het meervoud en als verkleinwoord schrijven.
•Je kunt de regels voor tussenletters (-en- of -s-) toepassen in samenstellingen.
•Je kunt bepalen of een woord aan elkaar of los geschreven moet worden.
•Je kunt zelfstandig gebruikte telwoorden en bijvoeglijke naamwoorden correct met of zonder -n spellen.
•Je kunt werkwoorden foutloos vervoegen in de tegenwoordige en verleden tijd en als voltooid deelwoord met behulp van 't ex-fokschaap.
•Je kunt de gebiedende wijs en persoonsvormen in samengestelde zinnen correct spellen.
Hoofdletters en leestekens
Het correct gebruiken van hoofdletters en leestekens zorgt ervoor dat een tekst makkelijker te lezen is en voorkomt spelfouten.
Wanneer gebruik je hoofdletters?
Je gebruikt een hoofdletter in de volgende gevallen:
•Aan het begin van een zin (bijvoorbeeld: De wedstrijd is verplaatst naar zaterdag. of 's Morgens ga ik hardlopen.).
•Bij namen van personen, straten en plaatsen (bijvoorbeeld: Jennifer Bos, Zeestraat, Venlo).
•Bij woorden die van namen zijn gemaakt, zoals afleidingen van aardrijkskundige namen (bijvoorbeeld: Zuid-Hollandse, Surinaamse).
Let op: namen van dagen (dinsdag), maanden (augustus), seizoenen (zomer) en windstreken (zuiden) krijgen geen hoofdletter.
Wanneer gebruik je welke leestekens?
Leestekens structureren een zin. De belangrijkste regels zijn:
•Punt, vraagteken of uitroepteken: gebruik je aan het eind van een zin, afhankelijk van of het een mededeling, vraag of uitroep is.
•Komma: gebruik je tussen delen van een opsomming, tussen twee persoonsvormen en voor voegwoorden zoals omdat, maar en want. Let op: je gebruikt geen komma voor en of of.
•Dubbele punt: gebruik je als je een opsomming of toelichting aankondigt, of wanneer je iemand citeert.
•Aanhalingstekens: gebruik je om woorden extra te markeren of bij een citaat in de directe rede (bijvoorbeeld: 'Hoe laat spreken we af?', vroeg Dave.). Bij de indirecte rede (waarin je de uitspraak omschrijft) gebruik je geen aanhalingstekens.
•Puntkomma: gebruik je tussen twee zinnen die sterk met elkaar samenhangen. Het woord na de puntkomma krijgt geen hoofdletter.
Laatste letter -t of -d
Om te bepalen of een woord op een -t of een -d eindigt, stel je eerst de vraag of het woord een werkwoord is.
•Is het woord een werkwoord? Gebruik dan de regels voor werkwoordspelling.
•Is het woord geen werkwoord? Maak het woord dan langer. Je hoort dan vanzelf welke letter je moet schrijven (bijvoorbeeld: permanente → permanent; schildpadden → schildpad).
Bijvoeglijke naamwoorden
Een bijvoeglijk naamwoord beschrijft een eigenschap of toestand van een zelfstandig naamwoord. De meeste bijvoeglijke naamwoorden hebben een korte vorm (zonder -e) en een lange vorm (met -e).
De lange vorm maken
Je maakt de lange vorm door een -e achter het woord te zetten (bijvoorbeeld: klein → kleine). Soms moet je hierbij de spelling aanpassen:
•Een -f verandert in een -v (bijvoorbeeld: lief → lieve).
•Een -s verandert in een -z (bijvoorbeeld: grijs → grijze).
•De laatste medeklinker wordt verdubbeld bij een korte klank (bijvoorbeeld: fris → frisse).
•Een klinker (a, e, o, u) wordt weggehaald bij een lange klank (bijvoorbeeld: langzaam → langzame).
Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden
Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord geeft aan van welk materiaal iets gemaakt is. Deze eindigen meestal op -en of veranderen helemaal niet (bijvoorbeeld: een wollen trui of een plastic tasje).
Bijvoeglijke naamwoorden van een werkwoord
Sommige bijvoeglijke naamwoorden zijn afgeleid van een voltooid of onvoltooid deelwoord van een werkwoord. Je schrijft ze zo kort mogelijk (bijvoorbeeld: de gespeelde wedstrijd of het verlichte scherm).
Meervouden
De meeste zelfstandige naamwoorden krijgen in het meervoud de uitgang -en of -s.
Meervoud op -en
Je maakt dit meervoud door -en achter het woord te zetten (bijvoorbeeld: nacht → nachten). Soms treden er spellingwijzigingen op:
•Verdubbeling van de medeklinker bij een korte klank (bijvoorbeeld: klas → klassen).
•Weglaten van een klinker bij een lange klank (bijvoorbeeld: schaar → scharen).
•Een -s verandert in een -z (bijvoorbeeld: huis → huizen).
•Een -f verandert in een -v (bijvoorbeeld: brief → brieven).
Meervoud op -s
Je zet -s achter het woord (bijvoorbeeld: balkon → balkons). Je gebruikt een apostrof ('s) als het woord eindigt op een enkele klinker (a, o, u, i, y) om uitspraakproblemen te voorkomen (bijvoorbeeld: foto's, pizza's, hobby's). Eindigt het woord op twee klinkers die samen een klank vormen (zoals cadeau), dan schrijf je de -s er direct aan vast (bijvoorbeeld: cadeaus).
Bijzondere meervouden
Sommige woorden hebben twee meervoudsvormen (bijvoorbeeld: appels of appelen). Latijnse woorden hebben vaak een eigen meervoud (bijvoorbeeld: datum → data of datums). Let op: data's is foutief omdat data al een meervoud is.
Verkleinwoorden
Een verkleinwoord maak je meestal door het achtervoegsel -je of -tje achter een zelfstandig naamwoord te plakken (bijvoorbeeld: paard → paardje).
Andere achtervoegsels en spellingregels
Soms gelden er andere regels voor de vorming van verkleinwoorden:
•Gebruik van -pje, -kje of -etje (bijvoorbeeld: boom → boompje, ketting → kettinkje, stem → stemmetje).
•Korte klanken worden soms lang (bijvoorbeeld: blad → blaadje).
•Bij woorden die eindigen op de klinkers a, é, o en u wordt de klinker verdubbeld (bijvoorbeeld: pizzaatje, sateetje, autootje, parapluutje).
•Bij woorden die eindigen op een medeklinker + i verandert de i in ie (bijvoorbeeld: taxietje).
•Bij woorden die eindigen op een medeklinker + y of bij afkortingen gebruik je een apostrof (bijvoorbeeld: lolly'tje, sms'je).
Tussenletters
Bij het maken van een samenstelling schrijf je woorden vaak aan elkaar vast. Soms moet je hierbij tussenletters gebruiken.
Tussenletters -en- of geen -en-
•Je schrijft -en- als het eerste woord een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud op -en heeft (bijvoorbeeld: rozengeur, hondenmand).
•Je schrijft geen -en- (dus alleen een -e-) als het eerste woord:
•een meervoud op -s heeft;
•een meervoud op zowel -en als -s heeft (bijvoorbeeld: groentesoep);
•verwijst naar iets waarvan er maar één bestaat (bijvoorbeeld: zonnebril, maneschijn);
•een versterkende betekenis heeft (bijvoorbeeld: apetrots, reuzesterk).
Tussen letter -s-
Je schrijft een -s- als je deze ook daadwerkelijk hoort (bijvoorbeeld: lievelingskleur). Twijfel je omdat het tweede woord al met een s-klank begint? Vervang het tweede deel dan door een ander woord om te horen of de -s- erbij hoort (bijvoorbeeld: varkensvlees → varkensstal).
Aan elkaar of los?
Als twee of meer woorden samen één begrip vormen, schrijf je ze aan elkaar vast:
•Samenstellingen die bestaan uit twee of meer zelfstandige naamwoorden (bijvoorbeeld: kassabon, bibliotheekpas).
•Werkwoorden die beginnen met voorzetsels zoals na, op, over of uit (bijvoorbeeld: uitlaten, uitgelaten).
•Woorden met er-, daar-, hier- en waar- plus een voorzetsel (bijvoorbeeld: erin, daarachter, hierbij, waarover).
Met of zonder n?
De spelling met of zonder -n hangt af van hoe een woord in de zin wordt gebruikt.
Zelfstandig gebruikte telwoorden
Woorden zoals velen, sommigen en enkelen zijn telwoorden.
•Je schrijft ze met een -n als ze zelfstandig gebruikt worden (er staat geen zelfstandig naamwoord achter) én ze over personen gaan (bijvoorbeeld: Velen stonden op tijd bij de ingang.).
•Je schrijft ze zonder -n als ze bijvoeglijk gebruikt worden (bijvoorbeeld: alle leerlingen) of als ze niet over personen gaan (bijvoorbeeld: Enkele van de gevonden kastanjes...).
Zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden
Dit zijn bijvoeglijke naamwoorden die als zelfstandig naamwoord functioneren. In het enkelvoud schrijf je ze met een -e (bijvoorbeeld: jongere). In het meervoud schrijf je ze met een -n als ze over personen gaan (bijvoorbeeld: ouderen).
Werkwoorden spellen
Het foutloos spellen van werkwoorden gebeurt stapsgewijs aan de hand van de rol van het werkwoord in de zin.
De persoonsvorm
De persoonsvorm is de vervoegde vorm van het werkwoord die past bij het onderwerp. Je herkent de persoonsvorm door de tijdproef uit te voeren: verander de tijd van de zin, en het woord dat verandert is de persoonsvorm.
Tegenwoordige tijd (tt)
•Enkelvoud:
•Bij 'ik' en als 'je/jij' achter de persoonsvorm staat: gebruik de ik-vorm (bijvoorbeeld: Ik vind, Vind je?).
•Bij 'jij', 'hij', 'zij', 'het' of een naam: gebruik de ik-vorm + t (bijvoorbeeld: Jij vindt, Zij wordt).
•Meervoud: gebruik het hele werkwoord (infinitief) (bijvoorbeeld: Wij lopen).
Verleden tijd (vt)
•Zwakke werkwoorden: gebruik de ik-vorm + te(n) of de(n). Gebruik het hulpmiddel 't ex-fokschaap. Haal -en van het hele werkwoord af. Eindigt de laatste letter van deze stam op een medeklinker uit 't ex-fokschaap? Schrijf dan te(n). Zo niet, schrijf dan de(n) (bijvoorbeeld: werken → stam werk eindigt op k → werkte; voelen → stam voel eindigt op l → voelde).
•Sterke werkwoorden: de klank verandert in de verleden tijd. Schrijf de persoonsvorm zo kort mogelijk (bijvoorbeeld: zitten → zaten).
Het voltooid deelwoord
Het voltooid deelwoord geeft aan dat een handeling is afgerond en staat vaak samen met een hulpwerkwoord (hebben, zijn, worden).
•Zwakke werkwoorden: eindigen op -d of -t. Bepaal de eindletter met 't ex-fokschaap (bijvoorbeeld: gehoopt, gebasketbald).
•Sterke werkwoorden: eindigen meestal op -en (bijvoorbeeld: gelopen, vertrokken).
Twijfelgevallen en homofone vormen
Sommige werkwoordsvormen klinken hetzelfde maar worden anders geschreven. Dit geldt vooral bij werkwoorden die beginnen met ge-, be-, ver-, ont-, her- of over-.
•De persoonsvorm tegenwoordige tijd (ik-vorm + t) eindigt vaak op -t, terwijl het voltooid deelwoord op een -d eindigt (bijvoorbeeld: Wat gebeurt er? vs. Het is gebeurd.).
•Let ook op het verschil tussen de tegenwoordige tijd meervoud en de verleden tijd meervoud bij zwakke werkwoorden waarvan de stam op een -d of -t eindigt (bijvoorbeeld: Vandaag begeleiden wij. vs. Gisteren begeleidden wij.).
De gebiedende wijs
De gebiedende wijs wordt gebruikt om een bevel of gebod te geven. Er staat geen onderwerp in de zin. Je schrijft de gebiedende wijs altijd als de ik-vorm tt, ook als je je tot meerdere personen richt (bijvoorbeeld: Bestel hier je ticket., Zet je fiets op slot!, Lees eerst de tekst.).
Persoonsvormen in samengestelde zinnen
Een samengestelde zin bestaat uit meerdere zinsdelen met elk een eigen onderwerp en persoonsvorm. Om de werkwoorden in deze zinnen correct te spellen, voer je voor elke persoonsvorm afzonderlijk de tijdproef en de persoonsvormregels uit.