Les over 5 FORMULEREN
Verwijswoorden
Voornaamwoord
OB - Nederlands - C2 - Presentatie

Formuleren: correct verwijzen, vergelijken en spellen
Leerdoelen
•Je kunt de juiste verwijswoorden kiezen voor personen en dingen op basis van woordgeslacht en getal.
•Je kunt bezittelijke voornaamwoorden correct toepassen om bezit aan te duiden.
•Je kunt de trappen van vergelijking vormen en de vergelijkingswoorden 'als' en 'dan' op de juiste manier gebruiken.
•Je kunt bepalen of een persoonsvorm in het enkelvoud of meervoud moet staan op basis van het onderwerp.
•Je kunt enkelvoudige zinnen samenvoegen tot een correcte samengestelde zin met behulp van voegwoorden en leestekens.
•Je kunt veelvoorkomende spel- en taalfouten in een tekst herkennen en verbeteren om zo foutloos te formuleren.
Verwijzen naar personen en dingen
Door een verwijswoord te gebruiken, maak je een tekst korter en beter leesbaar. Een verwijswoord wijst terug naar een woord dat eerder is genoemd, of vooruit naar iets wat nog komt. Het woord waarnaar verwezen wordt, noemen we het antecedent. Om het juiste verwijswoord te kiezen, moet je letten op het getal (enkelvoud of meervoud) en het woordgeslacht van het antecedent.
Woordgeslacht bepalen
In het Nederlands onderscheiden we mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden:
•Mannelijke woorden (de-woorden): Hiernaar verwijs je met hij, hem, deze of die.
•Vrouwelijke woorden (de-woorden): Hiernaar verwijs je met zij (ze), haar, deze of die. Veel woorden met specifieke uitgangen zoals -heid, -ing, -nis, -ie, -teit en -uur zijn vrijwel altijd vrouwelijk.
•Onzijdige woorden (het-woorden): Hiernaar verwijs je met het, dit of dat. Dit geldt ook voor alle verkleinwoorden en namen van landen of steden.
Soort woord | Voorbeelden | Verwijswoorden |
|---|---|---|
Onzijdige woorden (het-woorden) | het kindje, het bedrijf | het, dat, dit |
Mannelijke de-woorden | Mehmet, de leraar, de tekst | hij, hem, deze, die |
Vrouwelijke de-woorden | Rosa, de schrijfster, de verzameling | zij/ze, haar, deze, die |
Meervoud | de voetballers, de tafels | zij/ze, deze, die |
Specifieke verwijsregels: dat, wat, wie en waar
Soms twijfel je welk verwijswoord correct is. Let dan op de volgende regels:
•Gebruik dat wanneer je verwijst naar een specifiek onzijdig woord (het-woord): Het meisje dat daar loopt, is kampioen geworden.
•Gebruik wat wanneer je verwijst naar een hele zin, een overtreffende trap (bijv. het leukste), of een onbepaald voornaamwoord zoals alles, iets of niets: Dit is het beste wat me is overkomen.
•Gebruik wie (voorafgegaan door een voorzetsel) als je verwijst naar personen: De docent met wie ik sprak, was erg aardig.
•Gebruik waar + voorzetsel (zoals waarvan, waarmee) als je verwijst naar zaken, dieren of dingen: Het ijs waarvan ik houd, is uitverkocht.
Verwijzen naar bezit
Met een bezittelijk voornaamwoord geef je aan van wie iets is. Welk woord je kiest, hangt af van de persoon die het bezit heeft.
Onderwerp van de zin | Verwijswoord (bezit) | Voorbeeldzin |
|---|---|---|
ik | mijn | Ik heb mijn zus een cadeau gegeven. |
jij | jouw, je | Jij bent jouw tas vergeten. |
hij | zijn | Bilal heeft zijn toets slecht gemaakt. |
zij (enkelvoud) | haar | Ellen heeft een vlek in haar jurk. |
u | uw | U heeft een deuk in uw auto. |
het | zijn | Het bedrijf heeft zijn pand verbouwd. |
wij, we | onze, ons | Wij hebben onze fietsen gepakt. |
jullie | jullie | Jullie gaan naar jullie huis. |
zij (meervoud) | hun | Zij aaien hun paarden. |
Let op: Hoewel het-woorden onzijdig zijn, verwijzen we er bij bezit altijd naar met de mannelijke vorm zijn (bijvoorbeeld: het kind en zijn speelgoed).
Bezit versus geen bezit
Sommige verwijswoorden lijken sterk op elkaar. Je kiest de juiste vorm door te kijken of er direct een bezit achter staat.
Verwijswoorden | Gebruik | Voorbeelden |
|---|---|---|
mijn, jouw, je, uw | Er staat wel een bezit achter | Dat is mijn lievelingstrui. / Is dat uw auto? |
mij, me, jou, je, u | Er staat geen bezit achter | Kan iemand dat aan mij uitleggen? / We volgen jou. |
Belangrijke waarschuwing: Het woord hun kan nooit het onderwerp van een zin zijn. De constructie "hun hebben" is dan ook altijd fout. Gebruik in die situatie altijd zij of ze: Zij hebben dat gedaan.
Trappen van vergelijking
Bijvoeglijke naamwoorden kennen drie trappen om eigenschappen met elkaar te vergelijken:
1.De stellende trap: Dit is de basisvorm van het woord (bijv. spannend, duur). Je gebruikt deze trap bij een gelijkwaardige vergelijking in combinatie met het woord als: De film is net zo spannend als het boek.
2.De vergrotende trap: Je maakt deze vorm door -er achter het basiswoord te zetten (bijv. spannender). Woorden die eindigen op een -r krijgen -der (bijv. duurder). Je gebruikt deze trap bij een ongelijkwaardige vergelijking in combinatie met het woord dan: Het boek is spannender dan de film.
3.De overtreffende trap: Je maakt deze vorm door -st of -ste achter het woord te zetten (bijv. spannendst, duurst). Woorden die al eindigen op -st of -sch krijgen geen extra -st, maar het woord meest ervoor: het meest verrast.
Er zijn ook onregelmatige trappen die je uit je hoofd moet leren:
•goed - beter - best
•veel - meer - meest
•weinig - minder - minst
•graag - liever - liefst
'Als ik' of 'dan mij'?
Om te bepalen welk persoonlijk voornaamwoord er na als of dan moet staan, vul je de zin in gedachten aan met de persoonsvorm:
•Femke is even oud als ik (ben).
•Hester vindt jou aardiger dan (ze) mij (vindt).
Persoonsvorm: enkelvoud of meervoud?
De persoonsvorm is de vorm van het werkwoord die zich aanpast aan het onderwerp van de zin. Het onderwerp en de persoonsvorm moeten altijd met elkaar overeenstemmen in getal (enkelvoud of meervoud). Toch kan het bepalen van het juiste getal soms lastig zijn:
•Lange onderwerpen: Wanneer een onderwerp uit veel woorden bestaat, moet je goed zoeken naar de kern: Alle zangers en dansers in de musical kregen een lang applaus. (Meervoud, want de kern is 'zangers en dansers').
•Verzamelingen: Sommige onderwerpen lijken meervoudig, maar zijn grammaticaal enkelvoud: De groep toeristen wandelt door het centrum. (Enkelvoud, want het gaat om één groep).
De persoonsvorm vinden
Je kunt de persoonsvorm in een zin snel opsporen met twee betrouwbare proeven:
•Tijdproef: Verander de tijd van de zin (bijvoorbeeld van tegenwoordige tijd naar verleden tijd). Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
•Getalproef: Verander het onderwerp van enkelvoud naar meervoud (of andersom). Het werkwoord dat mee verandert, is de persoonsvorm.
Samengestelde zinnen schrijven
Een enkelvoudige zin bevat één onderwerp en één persoonsvorm. Een samengestelde zin bestaat uit twee of meer enkelvoudige zinnen die aan elkaar zijn gekoppeld. Je bouwt een correcte samengestelde zin met de volgende stappen:
1.Gebruik een passend voegwoord (zoals want, omdat, doordat, zodat, terwijl) om de zinnen te verbinden.
2.Plaats een komma tussen de twee zinnen of direct voor het voegwoord. Uitzondering: Schrijf geen komma voor de voegwoorden en en of.
3.Pas de woordvolgorde van de zinnen aan zodat de samengestelde zin natuurlijk en grammaticaal correct klinkt.
Schrijven zonder fouten
Foutloos formuleren vereist een grondige controle van je eigen teksten. Gebruik bij het schrijven en nakijken altijd deze vaste checklist:
•Zinsbouw: Maak je zinnen niet te lang of onnodig ingewikkeld.
•Verwijzingen: Controleer of elk verwijswoord correct aansluit bij het woordgeslacht en getal van het antecedent. Voorkom onduidelijke verwijzingen waarbij niet helder is naar wie of wat je verwijst.
•Woordspelling: Let op dat je geen letters vergeet of omdraait. Schrijf samenstellingen (woorden die bij elkaar horen) correct aan elkaar.
•Grammatica en leestekens: Controleer de werkwoordspelling (d/t-regels) van de persoonsvormen en andere werkwoorden. Zorg dat alle zinnen en namen met een hoofdletter beginnen en dat leestekens op de juiste plek staan.
•Hulpmiddelen: Gebruik de spellingcontrole van je computer en laat je tekst altijd door iemand anders nalezen.