Les over 4 Vertel eens!
OB - Nederlands - F2 - Presentatie
Tekstverbanden en signaalwoorden

Hoe schrijf je een instructie en ervaringsverslag?
Leerdoelen
•Je kunt het verschil tussen een schriftelijke en mondelinge instructie uitleggen.
•Je kunt de stappen voor het geven van een duidelijke instructie toepassen.
•Je kunt het belang van doe-woorden en signaalwoorden in een instructie toelichten.
•Je kunt de opbouw en de belangrijkste kenmerken van een ervaringsverslag beschrijven.
Wat is een instructie?
In een instructie leg je iemand stap voor stap uit hoe hij of zij een bepaalde handeling moet uitvoeren. Het is hierbij belangrijk dat de boodschap meteen duidelijk is voor de ontvanger. Er zijn twee manieren om een instructie te geven:
•Een schriftelijke instructie: hierbij schrijf je de stappen op die iemand moet volgen om een doel te bereiken.
•Een mondelinge instructie: hierbij vertel je iemand hardop hoe een handeling uitgevoerd moet worden.
Zo geef je een instructie
Om ervoor te zorgen dat een instructie begrijpelijk is, volg je een vast stappenplan:
1.Maak vooraf duidelijk dat je een instructie gaat geven.
2.Noem het onderwerp en het doel van de instructie.
3.Leg stap voor stap uit wat er moet gebeuren en doe dit in een logische volgorde.
4.Laat, indien mogelijk, visueel zien hoe de handeling moet worden uitgevoerd.
5.Gebruik duidelijke doe-woorden en signaalwoorden.
Als je een mondelinge instructie geeft, kun je een briefje met de stappen gebruiken om niets te vergeten. Let er daarnaast op dat je rustig spreekt en goed verstaanbaar bent.
Doe-woorden en signaalwoorden
Een goede instructie maakt actief gebruik van specifieke woordsoorten:
•Doe-woorden: dit zijn werkwoorden die de actie beschrijven die de lezer of luisteraar moet uitvoeren (bijvoorbeeld: haal, maak of strooi).
•Signaalwoorden: dit zijn woorden die de structuur, volgorde of samenhang van de stappen aangeven (bijvoorbeeld: eerst, daarna of vervolgens).
Wat is een ervaringsverslag?
In een ervaringsverslag beschrijf je jouw eigen ervaringen, bijvoorbeeld over een stage of een opleiding. Het doel van dit verslag is om anderen te informeren over wat je hebt meegemaakt en wat je ervan vond.
Opbouw van een ervaringsverslag
Een goed ervaringsverslag heeft een vaste structuur:
1.Inleiding: hierin introduceer je het onderwerp van je verslag. Je geeft antwoord op de basisvragen: wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe.
2.Middenstuk: hierin beschrijf je de daadwerkelijke gebeurtenissen of werkzaamheden. Dit doe je in een duidelijke chronologische volgorde (tijdsvolgorde), zodat de lezer de stappen in de tijd kan volgen.
3.Slot: hierin vat je de belangrijkste ervaringen kort samen en geef je jouw eigen mening of een reflectie op de opgedane ervaringen.