Les over Thema A Beroepen
Argumenteren
Tekstsoorten schrijven
OB - Nederlands - F2 - Presentatie

Thema A Beroepen: studiekeuze, discussie en presenteren
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen hoe je ervaringen kunt gebruiken om een weloverwogen studiekeuze te maken.
•Je kunt de rol van een decaan en loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) omschrijven.
•Je kunt het verschil tussen feitelijke (objectieve) en niet-feitelijke (subjectieve) argumenten uitleggen.
•Je kunt een discussie voorbereiden en voeren met behulp van standpunten, argumenten, tegenargumenten en weerleggingen.
•Je kunt een mondelinge presentatie structureren en houden, rekening houdend met je publiek en het gebruik van vakjargon.
•Je kunt de 5w+h-vragen toepassen om informatie over een beroep te verzamelen en te structureren.
•Je kunt een duidelijke schriftelijke of mondelinge instructie opstellen met behulp van doe-woorden en signaalwoorden.
•Je kunt een ervaringsverslag over een stage of bijbaan schrijven volgens een vaste driedelige opbouw.
•Je kunt kritisch reflecteren op je eigen werk en aanpak na het afronden van een opdracht.
§1 Waar ga je voor?
Het maken van een studiekeuze en het kiezen van een beroep is een belangrijk proces waar iedereen vroeg of laat mee te maken krijgt. Om een goede keuze te kunnen maken, is het essentieel om te ontdekken waar je ambities liggen en wat verschillende beroepen inhouden.
De rol van ervaringen bij je studiekeuze
Thuis en op school worden jongeren vaak aangemoedigd om hun passie te volgen. Als je jong een keuze moet maken, is het echter lastig om te weten wie je bent en wat je wilt. Daar is ervaring voor nodig. Het opdoen van praktijkervaring is de beste manier om een concreet beeld te krijgen van een werkdag en te ontdekken wat bij je past. Dit kan op verschillende manieren:
•Bijbaantjes: Zelfs eenvoudig werk zoals vakkenvullen helpt je te ervaren hoe het is om door een manager te worden aangestuurd of om te gaan met strakke deadlines.
•Stages: Door mee te lopen in een bedrijf leer je de dagelijkse praktijk van een beroep kennen.
•Praktische activiteiten: Bedrijfsbezoeken, open dagen, praktijklessen en evenementen zoals een Doe Dag brengen leerlingen in contact met lokale ondernemers en branches.
Loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB)
Op school word je ondersteund door middel van loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB). Dit is een doorlopend proces waarin je onderzoekt welke richting bij je past. Een centrale rol hierin is weggelegd voor de decaan. Dit is een specialist op school die leerlingen begeleidt bij het onderzoeken van de mogelijkheden rondom een passende profielkeuze, vervolgopleiding, beroep of sector. Ook geeft de decaan advies bij het samenstellen van je vakkenpakket. Het kiezen van een vervolgopleiding is geen keuze voor het leven, maar de start van je loopbaan. Vanuit die start zul je in de toekomst nog diverse andere keuzemomenten tegenkomen waarin je verdere stappen zet.
Carrièrebewust kiezen
Tegenwoordig kiezen jongeren in toenemende mate carrièrebewust. Dit betekent dat ze bij hun studiekeuze sterk rekening houden met de kansen op een baan op de arbeidsmarkt. Hoewel dit verstandig lijkt, kan het ook risico's met zich meebrengen. Als je een beroep kiest waar uiteindelijk weinig vraag naar is, loop je het risico op werkloosheid, moet je mogelijk uitwijken naar het buitenland of kom je in een heel ander beroepenspectrum terecht.
§2 Belangrijk beroep
In de samenleving spelen verschillende beroepssectoren een rol. Sommige hiervan worden aangeduid als cruciale beroepen. Dit zijn vitale beroepen en sectoren die onmisbaar zijn om de samenleving draaiende te houden, zoals de zorg, het onderwijs, de voedselketen, het openbaar vervoer, hulpverleningsdiensten en de vuilnisophaaldienst. Om over dit soort onderwerpen van gedachten te wisselen, kun je een discussie voeren.
Wat is een discussie?
Een discussie is een gesprek waarin je een ander wilt overtuigen van jouw standpunt. Je maakt hierbij gebruik van argumenten om uit te leggen waarom je iets vindt.
•Een standpunt (ook wel stelling of bewering genoemd) is de uitspraak waarvan je de juistheid wilt aantonen. Je herkent een standpunt vaak aan signaalwoorden zoals ik vind, volgens mij of ik ben van mening dat.
•Argumenten zijn de bewijzen of redenen die je gebruikt om je standpunt te onderbouwen.
Feitelijke en niet-feitelijke argumenten
Er zijn twee hoofdsoorten argumenten die je kunt gebruiken om je standpunt te ondersteunen:
•Feitelijke argumenten (objectief): Dit zijn argumenten die controleerbaar zijn op juistheid. Ze zijn gebaseerd op feiten, onderzoek of cijfers. Bijvoorbeeld: Uit onderzoek blijkt dat 70% van de mensen in de bouw gehoorbeschadiging oploopt.
•Niet-feitelijke argumenten (subjectief): Dit zijn argumenten die een mening, gevoel, vermoeden of waardeoordeel bevatten. Ze zijn niet objectief te controleren. Bijvoorbeeld: Ik vind dat het wel meevalt met het geluid in de bouw, want ik kan je nog prima verstaan.
Argumentatiestructuren
De manier waarop argumenten aan een standpunt worden gekoppeld, bepaalt de argumentatiestructuur. We onderscheiden de volgende vormen:
•Enkelvoudige argumentatie: Het standpunt wordt ondersteund door precies één argument.

•Onderschikkende argumentatie: Een argument wordt zelf weer ondersteund door een of meer sub-argumenten.

•Nevenschikkende argumentatie: Meerdere argumenten ondersteunen gezamenlijk het standpunt. Deze argumenten staan op gelijke hoogte.

•Gecombineerde argumentatie: Een combinatie van nevenschikkende en onderschikkende argumentatie, waarbij meerdere hoofdargumenten worden ondersteund door sub-argumenten.
Tegenargumenten en weerleggingen
Tijdens een discussie reageer je op elkaar. Hierbij spelen tegenargumenten en weerleggingen een rol:
•Tegenargumenten zijn bewijzen of redenen die ingaan tegen het standpunt van de ander.
•Een weerlegging is een reactie op een tegenargument waarmee je probeert aan te tonen dat dit tegenargument onjuist, onvolledig of minder belangrijk is.
Stappenplan: Zo bereid je een discussie voor
Een goede discussie vereist een grondige voorbereiding. Volg daarvoor deze stappen:
1.Bepaal je eigen mening of standpunt over het onderwerp.
2.Noteer zowel feitelijke als niet-feitelijke argumenten die jouw standpunt ondersteunen.
3.Bedenk bij de niet-feitelijke argumenten hoe je deze overtuigend kunt onderbouwen.
4.Bedenk welke tegenargumenten de tegenpartij naar voren zal brengen.
5.Formuleer alvast een sterke weerlegging op deze verwachte tegenargumenten.
Tijdens de discussie zelf is het belangrijk dat je het onderwerp vanuit verschillende perspectieven bekijkt, probeert het probleem te verhelderen en op een beleefde manier reageert op de standpunten van anderen.
§3 Wat ga jij doen?
Als je informatie hebt verzameld over een beroep of je stage, kun je dit presenteren aan een publiek.
Wat is een mondelinge presentatie?
In een mondelinge presentatie vertel je gestructureerd iets aan een publiek over een afgebakend onderwerp. Het doel is meestal om je luisteraars te informeren of te overtuigen.
Stappenplan: Zo bereid je een mondelinge presentatie voor
Een succesvolle presentatie valt of staat met de voorbereiding. Gebruik het volgende stappenplan:
1.Kies een duidelijk onderwerp en bepaal welke deelonderwerpen je wilt behandelen.
2.Gebruik de 5w+h-vragen (Wie, Wat, Waar, Wanneer, Waarom en Hoe) om de belangrijkste informatie over je onderwerp te verzamelen.
3.Zoek betrouwbare informatie en ga documenteren: maak een kort verslag van je bevindingen.
4.Schrijf de gevonden informatie op in je eigen woorden. Dit noemen we parafraseren. Neem teksten nooit letterlijk over en noteer altijd de bron.
5.Bedenk een sterke inleiding om de aandacht van het publiek te trekken (bijvoorbeeld met een persoonlijke ervaring, een opvallend feitje of een voorwerp).
6.Structureer het middenstuk en noteer de belangrijkste informatie in steekwoorden op spreekkaartjes. Gebruik zo min mogelijk tekst op je dia's.
7.Ontwerp een passend slot waarin je een korte samenvatting geeft, je mening deelt en het publiek de gelegenheid geeft om vragen te stellen.
8.Verzamel afbeeldingen of voorwerpen die je verhaal visueel ondersteunen en verduidelijken.
Richtlijnen tijdens het presenteren
Let tijdens het houden van je presentatie op de volgende zaken:
•Vakjargon: Dit is de specifieke taal of vaktermen die horen bij een bepaald beroep. Pas je taalgebruik aan je publiek aan; vermijd onnodig vakjargon of leg moeilijke termen direct uit.
•Stemgebruik: Praat rustig, duidelijk en luid genoeg zodat iedereen je kan verstaan.
•Lichaamshouding: Blijf niet stijf stilstaan. Gebruik je handen, gezichtsuitdrukking en neem een actieve houding aan.
•Oogcontact: Kijk je publiek zo veel mogelijk aan en lees je tekst niet voor van je spreekkaartjes.
•Interactie: Betrek je luisteraars bij je verhaal door tussendoor een vraag te stellen of hen te laten stemmen.
§4 Vertel eens!
Binnen veel beroepen is het belangrijk om duidelijke instructies te kunnen geven of verslag uit te brengen van je werkzaamheden.
Wat is een instructie?
In een instructie leg je iemand stap voor stap uit hoe een bepaalde handeling moet worden uitgevoerd. Het doel is dat de ontvanger direct begrijpt wat er moet gebeuren. Een instructie kan mondeling of schriftelijk zijn. Een goede instructie maakt gebruik van:
•Doe-woorden: Dit zijn actieve werkwoorden in de gebiedende wijs of stellende vorm (bijvoorbeeld: draai, sluit aan, verwijder) die aangeven welke actie moet worden ondernomen.
•Signaalwoorden: Woorden die de structuur, ordening en tijdsvolgorde van de stappen aangeven (bijvoorbeeld: eerst, vervolgens, daarna, tot slot). Dit duidt op een chronologisch verband.
Stappenplan: Zo geef je een instructie
Volg deze stappen bij het geven of schrijven van een instructie:
1.Maak duidelijk aan de luisteraar of lezer dat je een instructie gaat geven.
2.Noem het onderwerp en het doel van de instructie.
3.Leg stap voor stap en in een logische, chronologische volgorde uit wat er moet gebeuren.
4.Laat, indien mogelijk, visueel zien hoe de handeling wordt uitgevoerd (demonstreren).
5.Gebruik actieve doe-woorden en duidelijke signaalwoorden om de stappen te verbinden.
Wat is een ervaringsverslag?
Een ervaringsverslag is een tekst waarin je terugblikt op een periode van werk, stage of een specifieke werksituatie. Je informeert de lezer over wat je hebt meegemaakt, wat je mening daarover is en wat je ervan hebt geleerd.
De opbouw van een ervaringsverslag
Een ervaringsverslag is zakelijk opgebouwd en bestaat uit drie vaste onderdelen:
•Inleiding: Je stelt jezelf kort voor en introduceert de situatie of de werkplek waarover je verslag gaat schrijven.
•Middenstuk: Je geeft gedetailleerde informatie door antwoord te geven op de 5w+h-vragen. Daarnaast beschrijf je in aparte alinea's wat je mening is over de ervaring en wat je concreet van deze situatie hebt geleerd.
•Slot: Je sluit af met een korte, samenvattende conclusie van je werkervaring en je uiteindelijke mening hierover.
§5 Discussie, mondelinge presentatie, instructie (Eindopdrachten)
Aan het eind van het thema pas je alle geleerde vaardigheden toe in een of meer praktische eindopdrachten. Deze opdrachten laten zien of je de theorie kunt toepassen in realistische beroepssituaties.
Eindproduct 1: De discussie voeren
Je bereidt in een groepje een discussie voor over een praktijksituatie, zoals discriminatie op de werkvloer, een leidinggevende die afspraken niet nakomt, of een conflict met collega's. Tijdens de voorbereiding interview je iemand over zijn ervaringen en zoek je relevante krantenartikelen om feitelijke en niet-feitelijke argumenten te verzamelen. Je formuleert standpunten, tegenargumenten en weerleggingen. Tijdens de discussie reageer je beleefd op elkaar en probeer je gezamenlijk het probleem helder te krijgen.
Eindproduct 2: De mondelinge presentatie houden
Je geeft een individuele presentatie van ongeveer 5 minuten over jouw beroeps- of opleidingskeuze. Je legt hierin uit wat je hebt gedaan om tot deze keuze te komen, hoe je informatie hebt verzameld en wat het beroep inhoudt. Je maakt hierbij gebruik van gestructureerde spreekkaartjes voor de inleiding, het middenstuk en het slot, en ondersteunt je verhaal met toepasselijke afbeeldingen.
Eindproduct 3: De schriftelijke instructie en het ervaringsverslag
Je schrijft een ervaringsverslag over een lastige werksituatie tijdens een stage of bijbaan. Op basis van de leerpunten uit dit verslag schrijf je vervolgens een duidelijke, stapsgewijze werkinstructie voor een collega, zodat deze weet hoe hij in een soortgelijke situatie moet handelen. De instructie bevat een heldere titel, een logische volgorde van stappen en ondersteunende afbeeldingen.
Het belang van feedback
Bij het uitvoeren van deze opdrachten is het geven en ontvangen van feedback essentieel. Met behulp van feedbackformulieren beoordelen klasgenoten en docenten je prestaties op criteria zoals structuur, stemgebruik, argumentatie en het gebruik van signaalwoorden. Deze feedback helpt je om je communicatieve vaardigheden verder te ontwikkelen.
§6 Lekker gewerkt? (Evaluatie)
Na het afronden van een grote opdracht is het belangrijk om kritisch te reflecteren op het eindproduct en je eigen aanpak. Dit proces noemen we evaluatie. Door systematisch terug te kijken op je werk, ontdek je wat je sterke punten zijn en op welke vlakken je jezelf nog kunt verbeteren.
Vragen voor een grondige zelfevaluatie
Bij het evalueren van je werk kun je gebruikmaken van de volgende vragen:
•Ben je anders gaan denken over het onderwerp van het thema nadat je de eindopdracht hebt gemaakt?
•Wat ging er goed tijdens het proces en wat was de reden van dit succes?
•What ging er minder goed of verliep moeizaam, en hoe is dat te verklaren?
•Welk cijfer zou je jezelf geven voor het geleverde werk en hoe onderbouw je dit cijfer?
•Wat zou je een volgende keer concreet anders aanpakken om een beter resultaat te behalen?
Kritisch kunnen terugkijken op je eigen product en aanpak is een waardevolle vaardigheid die je helpt om te groeien, zowel op school als later in je professionele loopbaan.