Les over HANDIG!
Woordenschat: onbekende woorden en beeldspraak
Tekstverbanden en signaalwoorden
Tekstdoelen
Tekstsoorten schrijven
OB - Nederlands - C3 - Presentatie
OB - Nederlands - C2 - Presentatie

Handig! Nederlands: lezen, schrijven en formuleren
Leerdoelen
•Je kunt de belangrijkste begrippen rondom nieuws, media en tekststructuur uitleggen en toepassen.
•Je kunt een tekst stapsgewijs lezen met behulp van oriënterend, globaal en precies lezen.
•Je kunt een presentatie voorbereiden en succesvol uitvoeren volgens het stappenplan spreken.
•Je kunt een bouwplan opstellen en gebruiken voor het schrijven van informerende, betogende en activerende teksten.
•Je kunt de betekenis van onbekende woorden achterhalen met de vijf woordraadstrategieën.
•Je kunt de acht belangrijkste tekstverbanden en hun bijbehorende signaalwoorden herkennen en toepassen.
•Je kunt de zeven tekstdoelen onderscheiden en uitleggen hoe een schrijver of spreker deze doelen bereikt.
•Je kunt de 5W+H-vragen toepassen om een tekst of alinea samen te vatten.
•Je kunt een zakelijke brief en e-mail opstellen volgens de geldende conventies en structuur.
•Je kunt correct verwijzen naar personen, dingen en bezit, en de trappen van vergelijking juist toepassen.
Belangrijke begrippen rondom media en tekststructuur
Om teksten goed te begrijpen en zelf media te analyseren, moet je bekend zijn met de belangrijkste begrippen rondom nieuws, media en de opbouw van teksten:
•Feit: iets wat werkelijk zo is en wat je kunt controleren op juistheid.
•Aanleiding: de reden waarom de schrijver besluit om op dit moment over het onderwerp te schrijven.
•Inleiding: het eerste deel van een tekst waarin de schrijver het onderwerp introduceert en de aandacht van de lezer trekt.
•Middenstuk: het grootste deel van de tekst waarin de belangrijkste informatie is verdeeld over verschillende deelonderwerpen.
•Slot: de afronding van de tekst waarin een samenvatting, conclusie, advies of toekomstverwachting wordt gegeven.
•Informerende tekst: een teksttype met als hoofddoel de lezer te informeren door iets uit te leggen, een vraag te beantwoorden of een overzicht te geven.
•Infographic: een afbeelding die door middel van grafische elementen en korte teksten zo veel mogelijk informatie visueel overbrengt.
•Podcast: een digitale geluidsopname die via internet kan worden beluisterd.
•Intro: het begin van een geluidsopname waarin de luisteraar wordt verwelkomd en geïntroduceerd in het onderwerp.
•Middenstuk (geluidsopname): het centrale deel van een geluidsopname waarin de inhoudelijke deelonderwerpen worden besproken.
•Outro: het einde van een geluidsopname waarin de opname netjes wordt afgerond.
•Uitsmijter: een prikkelende of interessante afsluiter van een geluidsopname die de luisteraar bijblijft.
•Monoloog: een spreeksituatie waarin slechts één persoon onafgebroken aan het woord is.
•Intonatie: de toonhoogte en stembuiging waarmee iemand praat, wat helpt om de boodschap over te brengen.
•Smaad: het opzettelijk zwartmaken van iemand door een negatieve waarheid over die persoon te verspreiden.
•Laster: het opzettelijk beschadigen van iemands reputatie door leugens over die persoon te verspreiden.
Stappenplan lezen
Voordat je begint met het lezen van een tekst, is het belangrijk om te bepalen waarom je de tekst leest. Afhankelijk van je leesdoel doorloop je de volgende drie opeenvolgende stappen:
Stap 1: Oriënterend lezen
Het doel van deze stap is om snel het onderwerp van de tekst te vinden.
1.Lees de titel en de tussenkopjes, en bekijk de afbeeldingen.
2.Lees de inleiding van de tekst.
3.Geef in een paar woorden antwoord op de vraag: waarover gaat deze tekst? Dit antwoord is het onderwerp.
Stap 2: Globaal lezen
Het doel van deze stap is om de verschillende deelonderwerpen van de tekst in kaart te brengen.
1.Lees van elke alinea alleen de eerste en de laatste zin.
2.Omcirkel of markeer de inleiding en het slot van de tekst.
3.Noteer de deelonderwerpen van het middenstuk en zet strepen tussen de alinea's om aan te geven welke alinea's bij elkaar horen.
Stap 3: Precies lezen
Het doel van deze stap is om de tekst tot in detail te begrijpen.
1.Lees de tekst volledig en aandachtig door.
2.Onderstreep woorden die je niet kent en achterhaal de betekenis met een woordraadstrategie.
3.Markeer de kernzin (de belangrijkste zin) van elke alinea.
4.Omcirkel de signaalwoorden om de verbanden in de tekst te ontdekken.
5.Noteer van elke alinea in een paar woorden het deelonderwerp.
6.Bepaal het tekstdoel en de tekstsoort.
7.Onderstreep de hoofdgedachte van de tekst of formuleer deze in je eigen woorden.
Stappenplan spreken en presenteren
Een goede presentatie vereist een grondige voorbereiding en een gestructureerde uitvoering. Volg dit stappenplan om een succesvolle presentatie te geven:
1.Bepaal het onderwerp van je presentatie.
2.Bedenk wat je al weet over het onderwerp en noteer dit in een woordweb of in steekwoorden.
3.Groepeer de woorden die bij elkaar horen en bepaal op basis daarvan de deelonderwerpen. Houd hierbij rekening met de 5W+H-vragen.
4.Kies de deelonderwerpen die je wilt bespreken en zet ze in een logische volgorde.
5.Beslis wat je per deelonderwerp wilt vertellen en zoek indien nodig extra informatie op.
6.Zorg voor een duidelijke driedeling in je presentatie:
•Inleiding: begin met een aantrekkelijke introductie (een leuk voorbeeld of een interessant weetje). Noem het onderwerp en leg uit waarom je hiervoor hebt gekozen.
•Middenstuk: bespreek hierin achtereenvolgens je deelonderwerpen.
•Slot: rond de presentatie af met een sterke slotzin, je mening of een korte samenvatting. Vraag tot slot of het publiek nog vragen heeft.
7.Noteer de kernpunten van de inleiding, het middenstuk en het slot in steekwoorden op handige spreekkaartjes.
8.Zoek afbeeldingen of voorwerpen die je verhaal ondersteunen en visueel aantrekkelijk maken.
9.Let bij het gebruik van een PowerPoint-presentatie op de volgende richtlijnen:
•Gebruik afbeeldingen uitsluitend ter ondersteuning van je verhaal.
•Zet zo min mogelijk tekst op een dia (gebruik steekwoorden).
•Lees de dia's nooit letterlijk voor; gebruik je spreekkaartjes als leidraad.
•Pas je taalgebruik aan op je publiek en gebruik alleen woorden die je zelf begrijpt.
10.Oefen de presentatie herhaaldelijk hardop voor jezelf of voor anderen en let op je presentatievaardigheden:
•Spreek rustig, duidelijk en met voldoende variatie in je stem.
•Kijk je publiek aan en richt je blik niet constant op één vast punt.
•Neem een actieve, rechtopstaande houding aan en houd je handen uit je zakken.
•Lees je verhaal niet voor, maar gebruik de spreekkaartjes als geheugensteuntje.
11.Verbeter je presentatie op basis van je oefensessies.
Stappenplan schrijven en bouwplannen
Bij het schrijven van een tekst doorloop je altijd een vast proces om tot een gestructureerd eindproduct te komen.
Stap 1: Voorbereiden
Bedenk waar je tekst over gaat. Maak een woordweb met het onderwerp in het midden en noteer alle ideeën die in je opkomen. Omcirkel de belangrijkste woorden; dit worden de deelonderwerpen van je middenstuk.
Stap 2: Bouwplan invullen
Kies het bouwplan dat past bij je tekstdoel en vul de gegevens zo kort mogelijk in:
•Onderwerp: waar de tekst over gaat.
•Hoofdgedachte: wat het belangrijkste is dat je over het onderwerp wilt vertellen (geformuleerd in één volledige zin).
•Tekstdoel: wat je wilt bereiken (mening geven, gevoelens oproepen, informatie verstrekken, overtuigen of tot handelen aanzetten).
•Tekstopbouw: kies een structuur die past bij je doel.
Bouwplan voor een informerende tekst
Onderdeel | Alinea | Inhoud en uitwerking |
|---|---|---|
Inleiding | 1 | Noem het onderwerp van de tekst. |
Middenstuk | 2 t/m 4 | Werk twee of drie deelonderwerpen uit. Kies een vaste structuur, zoals:
- Verschillende kanten van het onderwerp belichten
- Gevolgen, oorzaken en oplossingen noemen
- De situatie vroeger en nu beschrijven
- Voor- en nadelen noemen
- Antwoord geven op een centrale vraag |
Slot | 5 | Rond de tekst af door een samenvatting te geven, de beste oplossing te herhalen, of een conclusie te trekken/toekomstvoorspelling te doen. |
Bouwplan voor een betogende en activerende tekst
Onderdeel | Alinea | Inhoud en uitwerking |
|---|---|---|
Inleiding | 1 | Noem je standpunt of mening over het onderwerp. |
Middenstuk | 2 t/m 4 | Werk de argumenten voor je standpunt uit en bespreek eventuele tegenargumenten, of weeg de voor- en nadelen tegen elkaar af. |
Slot | 5 | Geef een duidelijke conclusie waarin je het standpunt krachtig herhaalt. |
Stap 3: Tekst schrijven en controleren
Schrijf je tekst aan de hand van het ingevulde bouwplan. Zorg voor een logische overgang tussen alinea's door tekstverbanden en signaalwoorden te gebruiken. Controleer je tekst na het schrijven kritisch op de volgende punten:
•Begint elke zin met een hoofdletter en eindigt deze met een correct leesteken?
•Zijn alle zinnen volledig en lopen ze grammaticaal correct?
•Is de tekst duidelijk opgedeeld in overzichtelijke alinea's?
•Is er een passende, dekkende titel boven de tekst geplaatst?
Woordraadstrategieën
Wanneer je tijdens het lezen op een onbekend woord stuit, kun je verschillende strategieën toepassen om de betekenis te achterhalen zonder direct een woordenboek te hoeven raadplegen:
1.Een synoniem zoeken: kijk of er in dezelfde zin, of in de zin direct ervoor of erachter, een woord staat met ongeveer dezelfde betekenis.
2.Een omschrijving zoeken: zoek naar een uitleg of definitie van het woord in de omringende tekst. Deze staat vaak tussen haakjes of komma's.
3.Een voorbeeld zoeken: kijk of er voorbeelden worden gegeven die het woord verduidelijken. Let hierbij op signaalwoorden zoals zoals, bijvoorbeeld of een voorbeeld van.
4.Een tegenstelling zoeken: probeer de betekenis af te leiden uit een tegenovergesteld woord in de tekst. Let op signaalwoorden zoals maar, echter, toch of daarentegen.
5.Een bekend woorddeel zoeken: ontleed het woord. Bestaat het uit twee bekende woorden (samenstelling), of herken je een voorvoegsel of achtervoegsel?
Als deze strategieën niet helpen om de betekenis te achterhalen, gebruik dan alsnog een woordenboek.
Tekstverbanden en signaalwoorden
Zinnen en alinea's staan niet los van elkaar, maar zijn inhoudelijk met elkaar verbonden. Deze relaties noemen we tekstverbanden. Je kunt ze herkennen aan signaalwoorden. De acht belangrijkste tekstverbanden zijn:
Verband | Functie | Voorbeelden van signaalwoorden |
|---|---|---|
Opsomming | Dingen achter elkaar plaatsen | ten eerste, ten tweede, om te beginnen, ook (nog), verder, ten slotte, en |
Tijdsvolgorde (chronologie) | De volgorde in de tijd aangeven | vroeger, later, nu, eerst, daarna, vervolgens, nadat, terwijl, dadelijk, intussen |
Voorbeeld of uitleg (toelichting) | Extra verduidelijking geven | bijvoorbeeld, zo, als, zoals, denk aan, neem nou |
Tegenstelling | Twee tegenovergestelde zaken noemen | maar, hoewel, echter, toch, daarentegen, aan de ene kant ... aan de andere kant |
Oorzaak-gevolg | Aangeven waardoor iets gebeurt (buiten iemands wil) | doordat, daardoor, als gevolg van, dat komt door, het gevolg is |
Conclusie | Een logisch gevolgtrekking maken | dus, daarom, dat houdt in, kortom, concluderend, al met al |
Doel-middel | Aangeven wat je wilt bereiken en hoe | zodat, om te, door middel van, met behulp van |
Voorwaarde | Aangeven wat er eerst moet gebeuren | als (... dan), indien, tenzij, wanneer, mits |
Tekstdoelen en tekstsoorten
Elke schrijver schrijft met een bepaalde bedoeling: het tekstdoel. Dit doel bepaalt welke tekstsoort de schrijver kiest en hoe hij de tekst opbouwt.
Tekstdoel | Wat wil de schrijver bereiken? | Voorbeelden van tekstsoorten | Hoe bereik je dit doel als schrijver/spreker? |
|---|---|---|---|
Amuseren | De lezer vermaken of ontroeren | mop, strip, verhaal, column, gedicht | Beschrijf levendige personages en situaties. Gebruik sfeervolle en spannende woorden. |
Een mening geven | Duidelijk maken hoe de schrijver over iets denkt | bespreking van een boek of film, recensie | Verwoord duidelijk je standpunt en ondersteun dit met argumenten, zonder anderen te willen overtuigen. |
Gevoelens oproepen / uitdrukken | Emoties overbrengen of delen | column, post op sociale media, gedicht | Druk je eigen emoties uit en gebruik woorden die gevoelens bij het publiek losmaken. |
Informatie verstrekken | De lezer feiten en kennis bijbrengen | nieuwsbericht, schoolboek, verslag, zakelijke brief | Geef objectieve, zakelijke informatie. Noem controleerbare feiten, geef uitleg en gebruik voorbeelden. |
Instrueren | Uitleggen hoe de lezer handelingen moet uitvoeren | bijsluiter, gebruiksaanwijzing, spelregels | Geef stapsgewijze instructies. Gebruik actieve doe-woorden en woorden die een vaste volgorde aangeven. |
Overtuigen | Zorgen dat de lezer de mening van de schrijver overneemt | ingezonden brief, reactie op een website, betoog | Formuleer een duidelijke mening en ondersteun deze met sterke argumenten om het publiek te overtuigen. |
Tot handelen aanzetten (activeren) | De lezer aanzetten om direct iets te gaan doen (of juist te laten) | reclametekst, advertentie, activerende tekst | Gebruik overtuigende en enthousiasmerende woorden (zoals "fantastisch" of "alleen vandaag geldig") om actie uit te lokken. |
De 5W+H-vragen
Wanneer je de belangrijkste informatie uit een tekst wilt filteren of een samenvatting wilt maken, kun je gebruikmaken van de 5W+H-vragen. Door deze vragen te beantwoorden, breng je de kern van de tekst snel in kaart:
•Wat is er gebeurd?
•Wie waren erbij betrokken?
•Waar is het gebeurd?
•Wanneer gebeurde het?
•Waarom gebeurde het?
•Hoe gebeurde het?
Let op: het is niet altijd mogelijk om in elke tekst of alinea op alle vragen een antwoord te vinden. Beantwoord in dat geval alleen de vragen waarover wel informatie in de tekst staat.
Conventies zakelijke brief en zakelijke e-mail
Voor het schrijven van een formele brief of e-mail gelden vaste regels en richtlijnen, ook wel conventies genoemd. Het correct toepassen hiervan zorgt voor een professionele uitstraling.
De zakelijke brief
Een zakelijke brief is opgebouwd uit tien vaste onderdelen, gescheiden door witregels:
1.Eigen naam en adres: noteer je eigen contactgegevens linksboven. Let op het juiste gebruik van hoofdletters bij namen en straten.
2.Naam en adres van de ontvanger: noteer de gegevens van de persoon of het bedrijf aan wie je de brief richt.
3.Plaats, datum: schrijf de plaatsnaam, gevolgd door een komma en de volledige datum (schrijf de maand altijd voluit, bijvoorbeeld: Waalwijk, 18 december 2025).
4.Betreft: geef in één korte zin of een paar woorden aan waar de brief over gaat (bijvoorbeeld: Betreft: interview).
5.Aanhef: gebruik een formele en beleefde aanhef, gevolgd door een komma (bijvoorbeeld: Geachte heer Rutgers, of Geachte heer of mevrouw, als de naam onbekend is).
6.Inleiding: leg kort uit wat de directe aanleiding is van je brief en introduceer jezelf.
7.Middenstuk: wijd aan elk deelonderwerp één aparte alinea. Verwijs hier ook naar eventuele bijlagen die je meestuurt.
8.Slot: spreek een beleefde wens of verwachting uit (bijvoorbeeld dat je hoopt op een snelle reactie of een uitnodiging voor een gesprek).
9.Groet: sluit af met een vaste, formele groet en een komma (Met vriendelijke groet,).
10.Handtekening en naam: zet je handtekening en schrijf daaronder je voor- en achternaam voluit met hoofdletters.
De zakelijke e-mail
Een zakelijke e-mail is korter dan een brief, maar volgt grotendeels dezelfde formele opbouw:
1.Onderwerp: formuleer een korte, duidelijke omschrijving van de inhoud van de e-mail in de onderwerpregel.
2.Aanhef: gebruik een beleefde, formele aanhef gevolgd door een komma.
3.Inleiding: leg direct uit wat de aanleiding is van je e-mail en wie je bent.
4.Middenstuk: gebruik een overzichtelijke alinea-indeling per deelonderwerp en vermeld eventuele bijlagen.
5.Slot: formuleer een passende afronding waarin je je wens of verwachting uitspreekt.
6.Groet: sluit af met Met vriendelijke groet,.
7.Voor- en achternaam: vermeld onder de groet je volledige voor- en achternaam.
Theorie formuleren
Om begrijpelijk en foutloos te schrijven, moet je de grammaticale regels voor verwijzingen, vergelijkingen en de persoonsvorm correct toepassen.
Verwijzen naar personen en dingen
Door gebruik te maken van verwijswoorden voorkom je dat je steeds dezelfde woorden herhaalt. Het woord waarnaar je verwijst, heet het antecedent. Het verwijswoord moet altijd passen bij het getal en het geslacht van het antecedent:
Woordgeslacht / Getal | Voorbeelden van antecedenten | Correcte verwijswoorden |
|---|---|---|
Onzijdige woorden (het-woorden) | het kindje, het bedrijf | het, dat, dit |
Mannelijke de-woorden | de leraar, de tekst, Mehmet | hij, hem, deze, die |
Vrouwelijke de-woorden | de schrijfster, de verzameling, Rosa | zij/ze, haar, deze, die |
Meervoud | de voetballers, de tafels | zij/ze, deze, die |
Verwijzen naar bezit
Om aan te geven van wie iets is, gebruik je een bezittelijk voornaamwoord. Dit woord moet aansluiten bij het onderwerp van de zin:
Onderwerp (enkelvoud) | Verwijswoord bezit | Voorbeeldzin |
|---|---|---|
ik | mijn | Ik heb mijn zus een cadeau gegeven. |
jij | jouw, je | Jij bent jouw tas vergeten. |
hij | zijn | Bilal heeft zijn toets slecht gemaakt. |
zij | haar | Ellen heeft een vlek in haar jurk. |
u | uw | U heeft een deuk in uw auto. |
het | zijn | Het bedrijf heeft zijn pand verbouwd. |
Onderwerp (meervoud) | Verwijswoord bezit | Voorbeeldzin |
|---|---|---|
wij / we | onze, ons | Wij hebben onze fietsen gepakt. |
jullie | jullie | Jullie gaan naar jullie huis. |
zij | hun | Zij aaien hun paarden. |
Verwijswoorden die op elkaar lijken
Let op het verschil tussen woorden die met of zonder bezit worden gebruikt:
•Gebruik mijn, jouw, je of uw als er direct een bezit achter staat (bijvoorbeeld: Dat is mijn lievelingstrui. of Is dat uw auto?).
•Gebruik mij, me, jou, je of u als er geen bezit achter staat (bijvoorbeeld: Kan iemand dat aan mij uitleggen? of Kan ik u helpen?).
Trappen van vergelijking
Bijvoeglijke naamwoorden kennen drie verschillende vormen om een vergelijking te maken:
1.Stellende trap: de basisvorm van het woord (bijvoorbeeld: spannend, duur). Bij een vergelijking van gelijkheid gebruik je het woord als (bijvoorbeeld: De film is net zo spannend als het boek.).
2.Vergrotende trap: de basisvorm met de uitgang -er (bijvoorbeeld: spannender, duurder). Woorden die al op een -r eindigen, krijgen de uitgang -der (bijvoorbeeld: duurder). Bij een vergelijking van ongelijkheid gebruik je het woord dan (bijvoorbeeld: Het boek is spannender dan de film.).
3.Overtreffende trap: de basisvorm met de uitgang -st of -ste (bijvoorbeeld: spannendst, duurst). Woorden die eindigen op -st of -sch krijgen geen extra -st, maar het woord meest ervoor (bijvoorbeeld: het meest verrast).
Uitzonderingen: sommige woorden veranderen volledig in de trappen van vergelijking:
•goed - beter - best
•veel - meer - meest
•weinig - minder - minst
'... als mij' of '... dan ik'?
Om te bepalen of je eindigt met een onderwerp (zoals ik, hij, zij) of een voorwerp (zoals mij, hem, haar), vul je de zin in gedachten aan met de persoonsvorm:
•Femke is even oud als ich (ben). → Femke is even oud als ik.
•Hester vindt jou aardiger dan (ze) mij (vindt). → Hester vindt jou aardiger dan mij.
Persoonsvorm: enkelvoud of meervoud?
De persoonsvorm (het werkwoord dat verandert van tijd) en het onderwerp moeten qua getal altijd met elkaar overeenstemmen:
•Als het onderwerp enkelvoud is, staat de persoonsvorm in het enkelvoud.
•Als het onderwerp meervoud is, staat de persoonsvorm in het meervoud.
Soms is het bepalen van het getal van het onderwerp lastig:
•Lange onderwerpen: laat je niet verwarren door de lengte van de zin. Zoek de kern van het onderwerp (bijvoorbeeld: Alle zangers en dansers in de musical kregen een lang applaus. → meervoud).
•Verzamelnamen: woorden die meervoudig lijken maar grammaticaal enkelvoud zijn, krijgen een enkelvoudige persoonsvorm (bijvoorbeeld: De groep toeristen wandelt door het centrum. → enkelvoud).