Les over 7 EINDEXAMEN

Les over 7 EINDEXAMEN

Gemaakt door Ainstein
7 EINDEXAMEN
Deze video bestaat uit
  • Het onderwerp en de hoofdgedachte van een tekstHet onderwerp en de hoofdgedachte van een tekst
  • OB - Nederlands - F2 - PresentatieOB - Nederlands - F2 - Presentatie
  • Tekstsoorten schrijvenTekstsoorten schrijven
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 06:45
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Eindexamen Nederlands: voorbereiding en vaardigheden

Leerdoelen

Je kunt onregelmatige werkwoorden in de tegenwoordige en verleden tijd correct spellen.

Je kunt persoonsvormen in samengestelde zinnen identificeren en correct spellen.

Je kunt uitleggen hoe het digitale eindexamen Nederlands is opgebouwd en hoe je de beschikbare hulpmiddelen gebruikt.

Je kunt verschillende leesstrategieën toepassen, zoals zoekend, globaal en intensief lezen.

Je kunt veelvoorkomende examenvragen over de inleiding, het slot, alinea's en tussenkopjes beantwoorden.

Je kunt de betekenis van moeilijke woorden achterhalen met behulp van woordraadstrategieën.

Je kunt het onderwerp, de hoofdgedachte en deelonderwerpen van een tekst bepalen.

Je kunt de verschillende tekstdoelen, tekststructuren en tekstverbanden herkennen en toepassen.

Je kunt standpunten, argumenten en verschillende argumentatiestructuren analyseren.

Je kunt de functie van beeld en infographics in kijk- en luisterfragmenten uitleggen.

Je kunt een gestructureerde zakelijke e-mail, brief of artikel schrijven volgens de examenrichtlijnen.

Je kunt veelvoorkomende examenwoorden en hun betekenis correct toepassen.

Grammatica: Werkwoordspelling en onregelmatige werkwoorden

Het Nederlands kent vijf veelgebruikte werkwoorden met afwijkende werkwoordsvormen. Deze onregelmatige werkwoorden volgen niet de standaardregels voor werkwoordspelling. Het is belangrijk om deze vormen uit je hoofd te leren om fouten te voorkomen:

Werkwoord
zijn
hebben
willen
kunnen
zullen
ik (tt)
ben
heb
wil
kan
zal
je/jij (tt)
bent
hebt
wil, wilt
kunt, kan
zult, zal
... je/jij (tt)
ben
heb
wil
kun, kan
zul, zal
hij/zij/het (tt)
is
heeft
wil
kan
zal
wij/jullie/zij (tt)
zijn
hebben
willen
kunnen
zullen
enkelvoud (vt)
was
had
wilde, wou
kon
zou
meervoud (vt)
waren
hadden
wilden, wouden
konden
zouden

Persoonsvormen in samengestelde zinnen

Een samengestelde zin bestaat uit meerdere deelzinnen en bevat daardoor meer dan één persoonsvorm. Om de werkwoorden correct te spellen, moet je eerst bepalen welke werkwoorden de persoonsvorm zijn. Dit doe je met de tijdproef: de werkwoorden die van tijd veranderen (van tegenwoordige naar verleden tijd of andersom), zijn de persoonsvormen. Volg dit stappenplan om persoonsvormen in samengestelde zinnen correct te spellen:

1.Bepaal de tijd: Kijk of de zin in de tegenwoordige tijd (tt) of verleden tijd (vt) staat. Let op signaalwoorden zoals 'gisteren' of 'toen'.

2.Bepaal het getal: Zoek het onderwerp van de persoonsvorm om te zien of het om enkelvoud of meervoud gaat.

3.Vul de juiste vorm in: Schrijf de correcte werkwoordsvorm op basis van de spellingregels.

§1 Digitaal examen doen

Het eindexamen Nederlands wordt digitaal op de computer afgenomen. Het examen bestaat uit drie vaste onderdelen:

Lezen: Vragen beantwoorden bij verschillende teksten.

Kijken en luisteren: Vragen beantwoorden bij video- en geluidsfragmenten.

Schrijven: Het schrijven van een eigen tekst, meestal een zakelijke brief of e-mail.

Tijdens het examen mag je een papieren woordenboek gebruiken. Omdat het opzoeken van woorden veel tijd kost, is het verstandig om eerst woordraadstrategieën te gebruiken en het woordenboek alleen te raadplegen als de betekenis cruciaal is voor het beantwoorden van een vraag. Daarnaast is er een vaste woordenlijst met examenwoorden beschikbaar om veelvoorkomende begrippen snel te begrijpen.

§2 Lezen: Examenteksten lezen

Bij het lezen van examenteksten gebruik je verschillende leesstrategieën, afhankelijk van de opdracht.

Zoekend lezen

Bij zoekend lezen hoef je de tekst niet helemaal door te lezen. Je gaat direct op zoek naar specifieke informatie om een vraag te beantwoorden. Handige tips voor zoekend lezen:

Bedenk vooraf in welk deel van de tekst het antwoord waarschijnlijk staat (bijvoorbeeld in een tabel, schema of onder een specifiek tussenkopje).

Zoek naar specifieke trefwoorden, getallen, symbolen (zoals €) of afkortingen uit de vraag.

Maak gebruik van titels, tussenkopjes en opvallend gedrukte woorden om snel door de tekst te navigeren.

Voorbereidend en globaal lezen

Voordat je een tekst intensief gaat lezen, voer je een eerste verkenning uit. Dit helpt om snel het onderwerp te bepalen. Je bekijkt hierbij de titel, de bron, eventuele afbeeldingen en je leest de eerste en de laatste alinea.

§3 Lezen: Examenvragen beantwoorden

Het correct beantwoorden van examenvragen vereist een gestructureerde aanpak.

Stappenplan meerkeuzevragen

Gebruik dit stappenplan om meerkeuzevragen succesvol te beantwoorden:

1.Lees eerst alleen de vraag en bekijk de antwoordmogelijkheden nog niet.

2.Formuleer de vraag in je eigen woorden als deze ingewikkeld is, zodat je precies weet wat er gevraagd wordt.

3.Lees het betreffende tekstgedeelte waar de vraag over gaat heel nauwkeurig door.

4.Bedenk zelf het antwoord in je hoofd (of noteer het in steekwoorden) voordat je naar de opties kijkt.

5.Bekijk de antwoordmogelijkheden, streep de overduidelijk onjuiste opties weg en kies het antwoord dat het best aansluit bij jouw eigen bedachte antwoord.

Vragen over de opbouw van een tekst

Een tekst is opgebouwd uit drie hoofdonderdelen:

Inleiding: Introduceert het onderwerp en maakt de lezer nieuwsgierig, bijvoorbeeld door een anekdote (een kort, kenmerkend verhaaltje) of door de aanleiding (de reden voor het schrijven) te noemen.

Middenstuk: Bespreekt verschillende aspecten of deelonderwerpen van het hoofdonderwerp. Het is verdeeld in alinea's, waarbij elke alinea een eigen kernzin (de belangrijkste zin van een alinea) bevat.

Slot: Sluit de tekst af met een samenvatting, een conclusie, een advies of een toekomstverwachting.

Woordraadstrategieën

Als je de betekenis van een moeilijk woord niet kent, kun je deze achterhalen met de volgende vijf strategieën:

1.Synoniem zoeken: Kijk of er een woord in de buurt staat met ongeveer dezelfde betekenis.

2.Omschrijving zoeken: Zoek naar een uitleg of definitie van het woord in de omliggende tekst.

3.Voorbeeld zoeken: Leid de betekenis af uit de voorbeelden die in de tekst worden gegeven.

4.Tegenstelling zoeken: Kijk of er een tegenovergestelde betekenis in de tekst staat om het woord te begrijpen.

5.Bekend woorddeel zoeken: Ontleed het woord in bekende delen om de betekenis te herleiden.

Hoofdzaken: Onderwerp en hoofdgedachte

Het scheiden van hoofd- en bijzaken is essentieel voor tekstbegrip. Hoofdzaken bevatten de belangrijkste informatie en zijn te vinden in de inleiding, het slot en de kernzinnen. Bijzaken geven extra uitleg of voorbeelden.

Onderwerp: Waar de tekst over gaat. Het onderwerp bestaat uit één woord of een korte woordgroep (nooit een hele zin) en bevat geen persoonsvorm.

Hoofdgedachte: Het belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp wil zeggen. Dit is altijd geformuleerd als één mededelende zin (nooit een vraag).

Deelonderwerpen: Verschillende kanten of aspecten van het hoofdonderwerp die in het middenstuk worden uitgewerkt.

Tekstdoelen en tekstsoorten

Elke schrijver heeft een specifiek tekstdoel voor ogen. De vijf belangrijkste tekstdoelen zijn:

Informeren: De lezer feitelijke kennis overdragen (bijv. in een nieuwsbericht of zakelijke brief).

Amuseren: De lezer vermaken of emotioneel raken (bijv. in een verhaal of gedicht).

Overtuigen: De lezer overhalen om de mening van de schrijver over te nemen (bijv. in een betoog).

Activeren: De lezer aanzetten tot een specifieke handeling (bijv. in een advertentie of reclame).

Opiniëren: De lezer zelf laten nadenken over een onderwerp door verschillende meningen te presenteren (bijv. in een discussiestuk).

Tekststructuren

Schrijvers ordenen hun informatie volgens vaste patronen. De belangrijkste tekststructuren zijn:

Structuur
Inleiding
Middenstuk
Slot
Argumentatiestructuur
Standpunt
Argumenten
Herhaling standpunt / conclusie
Aspectenstructuur
Onderwerp
Diverse aspecten
Samenvatting
Verklaringsstructuur
Verschijnsel
Verklaringen, oorzaken of redenen
Samenvatting of conclusie
Voor- en nadelenstructuur
Vraag of standpunt
Voor- en nadelen
Afweging en conclusie
Probleem-oplossingsstructuur
Probleem
Oorzaken, gevolgen en oplossingen
De beste oplossing
Verleden-heden-toekomststructuur
Onderwerp
Situatie vroeger en nu
Toekomstverwachting of conclusie
Vraag-antwoordstructuur
Vraag
Antwoorden
Conclusie of beste antwoord

Tekstverbanden en signaalwoorden

Zinnen en alinea's zijn met elkaar verbonden via tekstverbanden. Deze verbanden worden zichtbaar gemaakt door signaalwoorden.

Tekstverband
Functie
Veelvoorkomende signaalwoorden
Chronologisch
Geeft de tijdsvolgorde aan.
eerst, daarna, toen, vroeger, nu, later, jaartallen
Concluderend
Trekt een conclusie uit eerdere informatie.
dus, daarom, kortom, concluderend, al met al
Doel-middel
Laat zien welk middel wordt gebruikt om een doel te bereiken.
zodat, opdat, met behulp van, om te
Oorzakelijk
Laat zien hoe iets gebeurt buiten iemands wil of invloed.
doordat, daardoor, als gevolg van, waardoor
Opsommend
Noemt verschillende zaken achter elkaar.
ten eerste, daarnaast, ook, tevens, bovendien, en
Redengevend
Geeft aan waarom iemand iets doet (binnen de eigen wil).
daarom, omdat, want, dankzij, immers
Samenvattend
Geeft de voorafgaande informatie kort weer.
kortom, samengevat, met andere woorden, al met al
Tegenstellend
Zet tegenovergestelde zaken tegenover elkaar.
maar, echter, toch, desondanks, daarentegen
Toegevend
Zwak de hoofdzaak af door een andere kant te tonen.
hoewel, ook al, ofschoon, weliswaar
Toelichtend
Geeft extra informatie of een concreet voorbeeld.
bijvoorbeeld, zoals, neem nou, ter illustratie
Vergelijkend
Laat overeenkomsten of verschillen zien.
in vergelijking met, net als, evenals, zoals
Voorwaardelijk
Geeft aan wat er nodig is voordat iets kan gebeuren.
als, indien, tenzij, mits, wanneer

Argumentatie en structuren

Een standpunt (ook wel stelling of bewering genoemd) is een uitspraak waarvan de schrijver de juistheid wil aantonen. Om dit standpunt te ondersteunen, gebruikt de schrijver argumenten. Deze kunnen feitelijk (controleerbaar) of waarderend (gebaseerd op een mening of gevoel) zijn. We onderscheiden verschillende argumentatiestructuren:

Enkelvoudige argumentatie: Het standpunt wordt ondersteund door exact één argument.

Schematische weergave van enkelvoudige argumentatie met één standpunt en één ondersteunend argument
Schematische weergave van enkelvoudige argumentatie met één standpunt en één ondersteunend argument

Onderschikkende argumentatie: Een argument wordt ondersteund door een of meer subargumenten.

Schematische weergave van onderschikkende argumentatie waarbij een argument wordt ondersteund door een subargument
Schematische weergave van onderschikkende argumentatie waarbij een argument wordt ondersteund door een subargument

Nevenschikkende argumentatie: Meerdere argumenten ondersteunen gezamenlijk direct het standpunt.

Schematische weergave van nevenschikkende argumentatie waarbij drie onafhankelijke argumenten samen één standpunt ondersteunen
Schematische weergave van nevenschikkende argumentatie waarbij drie onafhankelijke argumenten samen één standpunt ondersteunen

Gecombineerde argumentatie: Een complexe structuur waarin nevenschikkende en onderschikkende argumenten samen worden gebruikt.

Daarnaast kan een tekst tegenargumenten (bewijzen tegen het standpunt) en weerleggingen (argumenten die het tegenargument ontkrachten) bevatten.

Functiewoorden

Een functiewoord geeft aan welke specifieke rol een bepaalde alinea of tekstgedeelte speelt binnen het geheel. Belangrijke functiewoorden zijn:

Aanbeveling: De schrijver geeft een goed advies of een oplossing voor een probleem.

Aanleiding: De concrete gebeurtenis die de schrijver ertoe bracht de tekst te schrijven.

Afweging: Het vergelijken van voor- en nadelen om te bepalen wat het zwaarst weegt.

Constatering: Een objectieve vaststelling of waarneming van een feit of verschijnsel.

Nuancering: Het afzwakken van een eerdere bewering of standpunt door andere kanten te belichten.

Tegenwerping: Een bewering of mening die recht tegenover een eerder standpunt staat.

Uitwerking: Het gedetailleerder uitleggen of uitbreiden van een stelling of bewering.

Verklaring: Het geven van een heldere uitleg over de oorzaak van een bepaald verschijnsel.

Weerlegging: Het bewijzen dat een tegenwerping of mening van een ander onjuist is.

§4 Kijken en luisteren

Bij het examenonderdeel kijken en luisteren bekijk je videofragmenten en beantwoord je hier vragen over. Volg dit stappenplan om deze vragen succesvol te beantwoorden:

1.Lees eerst de vraag zorgvuldig door, maar bekijk de antwoordopties nog niet.

2.Bekijk het fragment in zijn geheel met volledige concentratie, zodat je geen visuele of auditieve details mist.

3.Bedenk na het kijken zelf wat het antwoord moet zijn.

4.Vergelijk jouw antwoord met de meerkeuzeopties en selecteer de beste optie. Streep onwaarschijnlijke antwoorden direct weg.

Let tijdens het kijken en luisteren goed op het gebruik van infographics (informatieve illustraties). Deze worden vaak gebruikt om complexe onderzoeksresultaten of conclusies in één oogopslag duidelijk te maken aan de kijker.

§5 Schrijven

Tijdens het examen schrijf je zelf een tekst, zoals een zakelijke brief, een zakelijke e-mail of een artikel.

Stappenplan schrijfopdracht

Een succesvolle schrijfopdracht bouw je op met de volgende drie stappen:

1.Lezen: Bestudeer de situatiebeschrijving en de opdracht nauwkeurig. Bepaal de tekstsoort, het doel en de doelgroep (het publiek). Dit bepaalt je toon, zinsbouw en of je de lezer aanspreekt met 'u' (vousvoyeren) of 'je/jij' (tutoyeren).

2.Schrijven: Verdeel de verplichte inhoudspunten logisch over de inleiding, het middenstuk en het slot. Sla tussen alinea's steeds een regel over. Zorg dat je tekst voldoet aan het minimum aantal woorden (meestal minimaal 100 woorden).

3.Controleren en verbeteren: Controleer of alle gevraagde inhoudspunten aanwezig zijn. Lees de tekst in je hoofd voor om te controleren of de zinnen goed lopen. Controleer tot slot de spelling (gebruik eventueel het woordenboek), interpunctie en het gebruik van hoofdletters.

Beoordelingscriteria

Je schrijfopdracht wordt streng beoordeeld op drie hoofdonderdelen:

Inhoud: Zijn alle verplichte punten uit de opdracht volledig en correct verwerkt? Voor elk ontbrekend element worden er punten afgetrokken.

Taalgebruik: Hierbij wordt gelet op formuleringsfouten, spelfouten (inclusief werkwoordspelling en hoofdletters) en interpunctiefouten. Bij minder dan het minimumaantal woorden (meestal 100 woorden) vervallen alle punten voor taalgebruik.

Presentatie en conventies: Voldoet de tekst aan de formele regels van de tekstsoort? Denk aan een passende titel, een juiste aanhef en afsluiting, een logische alinea-indeling en een passende toon voor de doelgroep.

§6 Woordenlijst examenwoorden

In examenvragen en antwoordopties komen veel vaste begrippen voor. Zorg dat je de betekenis van deze examenwoorden goed kent:

Examenwoord
Betekenis
Aandacht trekken
Opvallen, zodat de lezer of kijker geprikkeld wordt om verder te lezen of te kijken.
Aankondigen
Vooraf vertellen wat er gaat komen of wat er besproken gaat worden.
Aansluiten bij
Goed passen bij of logisch verbonden zijn met eerdere informatie.
Aantonen
Bewijzen of met feiten en voorbeelden laten zien dat iets daadwerkelijk zo is.
Adviseren
Raad of een bruikbaar advies geven aan de lezer.
Afzwakken
Een bewering of standpunt minder stellig of minder erg maken.
Amuseren
De lezer of kijker vermaken met een leuk, spannend of interessant verhaal.
Aspect
Een specifieke kant, onderdeel of eigenschap van een onderwerp.
Benadrukken
Ergens extra de nadruk op leggen om het belang ervan te onderstrepen.
Bewering
Een uitspraak of stelling waarvan de juistheid nog moet worden aangetoond.
Blijken uit
Duidelijk worden of afgeleid kunnen worden uit specifieke tekstgedeelten.
Citeren
Een zin of zinsdeel letterlijk en exact overschrijven uit de tekst.
Commentaar
Een opmerking, toelichting of mening over een bepaalde gebeurtenis of uitspraak.
Deskundige
Iemand die door studie of ervaring zeer veel weet over een specifiek onderwerp.
Doel-middel
Het verband waarbij een bepaald middel wordt ingezet om een gewenst doel te bereiken.
Feit
Een objectieve gebeurtenis of omstandigheid waarvan gecontroleerd kan worden of deze waar is.
Functie
Het specifieke doel of de rol die een tekstgedeelte of afbeelding heeft.
Gegeven
Een vaststaand feit of bekend uitgangspunt dat als basis dient.
Gestelde
Datgene wat eerder in de tekst is beweerd of geschreven.