Les over 7 EINDEXAMEN
Het onderwerp en de hoofdgedachte van een tekst
OB - Nederlands - F2 - Presentatie
Tekstsoorten schrijven

Eindexamen Nederlands: voorbereiding en vaardigheden
Leerdoelen
•Je kunt onregelmatige werkwoorden in de tegenwoordige en verleden tijd correct spellen.
•Je kunt persoonsvormen in samengestelde zinnen identificeren en correct spellen.
•Je kunt uitleggen hoe het digitale eindexamen Nederlands is opgebouwd en hoe je de beschikbare hulpmiddelen gebruikt.
•Je kunt verschillende leesstrategieën toepassen, zoals zoekend, globaal en intensief lezen.
•Je kunt veelvoorkomende examenvragen over de inleiding, het slot, alinea's en tussenkopjes beantwoorden.
•Je kunt de betekenis van moeilijke woorden achterhalen met behulp van woordraadstrategieën.
•Je kunt het onderwerp, de hoofdgedachte en deelonderwerpen van een tekst bepalen.
•Je kunt de verschillende tekstdoelen, tekststructuren en tekstverbanden herkennen en toepassen.
•Je kunt standpunten, argumenten en verschillende argumentatiestructuren analyseren.
•Je kunt de functie van beeld en infographics in kijk- en luisterfragmenten uitleggen.
•Je kunt een gestructureerde zakelijke e-mail, brief of artikel schrijven volgens de examenrichtlijnen.
•Je kunt veelvoorkomende examenwoorden en hun betekenis correct toepassen.
Grammatica: Werkwoordspelling en onregelmatige werkwoorden
Het Nederlands kent vijf veelgebruikte werkwoorden met afwijkende werkwoordsvormen. Deze onregelmatige werkwoorden volgen niet de standaardregels voor werkwoordspelling. Het is belangrijk om deze vormen uit je hoofd te leren om fouten te voorkomen:
Werkwoord | zijn | hebben | willen | kunnen | zullen |
|---|---|---|---|---|---|
ik (tt) | ben | heb | wil | kan | zal |
je/jij (tt) | bent | hebt | wil, wilt | kunt, kan | zult, zal |
... je/jij (tt) | ben | heb | wil | kun, kan | zul, zal |
hij/zij/het (tt) | is | heeft | wil | kan | zal |
wij/jullie/zij (tt) | zijn | hebben | willen | kunnen | zullen |
enkelvoud (vt) | was | had | wilde, wou | kon | zou |
meervoud (vt) | waren | hadden | wilden, wouden | konden | zouden |
Persoonsvormen in samengestelde zinnen
Een samengestelde zin bestaat uit meerdere deelzinnen en bevat daardoor meer dan één persoonsvorm. Om de werkwoorden correct te spellen, moet je eerst bepalen welke werkwoorden de persoonsvorm zijn. Dit doe je met de tijdproef: de werkwoorden die van tijd veranderen (van tegenwoordige naar verleden tijd of andersom), zijn de persoonsvormen. Volg dit stappenplan om persoonsvormen in samengestelde zinnen correct te spellen:
1.Bepaal de tijd: Kijk of de zin in de tegenwoordige tijd (tt) of verleden tijd (vt) staat. Let op signaalwoorden zoals 'gisteren' of 'toen'.
2.Bepaal het getal: Zoek het onderwerp van de persoonsvorm om te zien of het om enkelvoud of meervoud gaat.
3.Vul de juiste vorm in: Schrijf de correcte werkwoordsvorm op basis van de spellingregels.
§1 Digitaal examen doen
Het eindexamen Nederlands wordt digitaal op de computer afgenomen. Het examen bestaat uit drie vaste onderdelen:
•Lezen: Vragen beantwoorden bij verschillende teksten.
•Kijken en luisteren: Vragen beantwoorden bij video- en geluidsfragmenten.
•Schrijven: Het schrijven van een eigen tekst, meestal een zakelijke brief of e-mail.
Tijdens het examen mag je een papieren woordenboek gebruiken. Omdat het opzoeken van woorden veel tijd kost, is het verstandig om eerst woordraadstrategieën te gebruiken en het woordenboek alleen te raadplegen als de betekenis cruciaal is voor het beantwoorden van een vraag. Daarnaast is er een vaste woordenlijst met examenwoorden beschikbaar om veelvoorkomende begrippen snel te begrijpen.
§2 Lezen: Examenteksten lezen
Bij het lezen van examenteksten gebruik je verschillende leesstrategieën, afhankelijk van de opdracht.
Zoekend lezen
Bij zoekend lezen hoef je de tekst niet helemaal door te lezen. Je gaat direct op zoek naar specifieke informatie om een vraag te beantwoorden. Handige tips voor zoekend lezen:
•Bedenk vooraf in welk deel van de tekst het antwoord waarschijnlijk staat (bijvoorbeeld in een tabel, schema of onder een specifiek tussenkopje).
•Zoek naar specifieke trefwoorden, getallen, symbolen (zoals €) of afkortingen uit de vraag.
•Maak gebruik van titels, tussenkopjes en opvallend gedrukte woorden om snel door de tekst te navigeren.
Voorbereidend en globaal lezen
Voordat je een tekst intensief gaat lezen, voer je een eerste verkenning uit. Dit helpt om snel het onderwerp te bepalen. Je bekijkt hierbij de titel, de bron, eventuele afbeeldingen en je leest de eerste en de laatste alinea.
§3 Lezen: Examenvragen beantwoorden
Het correct beantwoorden van examenvragen vereist een gestructureerde aanpak.
Stappenplan meerkeuzevragen
Gebruik dit stappenplan om meerkeuzevragen succesvol te beantwoorden:
1.Lees eerst alleen de vraag en bekijk de antwoordmogelijkheden nog niet.
2.Formuleer de vraag in je eigen woorden als deze ingewikkeld is, zodat je precies weet wat er gevraagd wordt.
3.Lees het betreffende tekstgedeelte waar de vraag over gaat heel nauwkeurig door.
4.Bedenk zelf het antwoord in je hoofd (of noteer het in steekwoorden) voordat je naar de opties kijkt.
5.Bekijk de antwoordmogelijkheden, streep de overduidelijk onjuiste opties weg en kies het antwoord dat het best aansluit bij jouw eigen bedachte antwoord.
Vragen over de opbouw van een tekst
Een tekst is opgebouwd uit drie hoofdonderdelen:
•Inleiding: Introduceert het onderwerp en maakt de lezer nieuwsgierig, bijvoorbeeld door een anekdote (een kort, kenmerkend verhaaltje) of door de aanleiding (de reden voor het schrijven) te noemen.
•Middenstuk: Bespreekt verschillende aspecten of deelonderwerpen van het hoofdonderwerp. Het is verdeeld in alinea's, waarbij elke alinea een eigen kernzin (de belangrijkste zin van een alinea) bevat.
•Slot: Sluit de tekst af met een samenvatting, een conclusie, een advies of een toekomstverwachting.
Woordraadstrategieën
Als je de betekenis van een moeilijk woord niet kent, kun je deze achterhalen met de volgende vijf strategieën:
1.Synoniem zoeken: Kijk of er een woord in de buurt staat met ongeveer dezelfde betekenis.
2.Omschrijving zoeken: Zoek naar een uitleg of definitie van het woord in de omliggende tekst.
3.Voorbeeld zoeken: Leid de betekenis af uit de voorbeelden die in de tekst worden gegeven.
4.Tegenstelling zoeken: Kijk of er een tegenovergestelde betekenis in de tekst staat om het woord te begrijpen.
5.Bekend woorddeel zoeken: Ontleed het woord in bekende delen om de betekenis te herleiden.
Hoofdzaken: Onderwerp en hoofdgedachte
Het scheiden van hoofd- en bijzaken is essentieel voor tekstbegrip. Hoofdzaken bevatten de belangrijkste informatie en zijn te vinden in de inleiding, het slot en de kernzinnen. Bijzaken geven extra uitleg of voorbeelden.
•Onderwerp: Waar de tekst over gaat. Het onderwerp bestaat uit één woord of een korte woordgroep (nooit een hele zin) en bevat geen persoonsvorm.
•Hoofdgedachte: Het belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp wil zeggen. Dit is altijd geformuleerd als één mededelende zin (nooit een vraag).
•Deelonderwerpen: Verschillende kanten of aspecten van het hoofdonderwerp die in het middenstuk worden uitgewerkt.
Tekstdoelen en tekstsoorten
Elke schrijver heeft een specifiek tekstdoel voor ogen. De vijf belangrijkste tekstdoelen zijn:
•Informeren: De lezer feitelijke kennis overdragen (bijv. in een nieuwsbericht of zakelijke brief).
•Amuseren: De lezer vermaken of emotioneel raken (bijv. in een verhaal of gedicht).
•Overtuigen: De lezer overhalen om de mening van de schrijver over te nemen (bijv. in een betoog).
•Activeren: De lezer aanzetten tot een specifieke handeling (bijv. in een advertentie of reclame).
•Opiniëren: De lezer zelf laten nadenken over een onderwerp door verschillende meningen te presenteren (bijv. in een discussiestuk).
Tekststructuren
Schrijvers ordenen hun informatie volgens vaste patronen. De belangrijkste tekststructuren zijn:
Structuur | Inleiding | Middenstuk | Slot |
|---|---|---|---|
Argumentatiestructuur | Standpunt | Argumenten | Herhaling standpunt / conclusie |
Aspectenstructuur | Onderwerp | Diverse aspecten | Samenvatting |
Verklaringsstructuur | Verschijnsel | Verklaringen, oorzaken of redenen | Samenvatting of conclusie |
Voor- en nadelenstructuur | Vraag of standpunt | Voor- en nadelen | Afweging en conclusie |
Probleem-oplossingsstructuur | Probleem | Oorzaken, gevolgen en oplossingen | De beste oplossing |
Verleden-heden-toekomststructuur | Onderwerp | Situatie vroeger en nu | Toekomstverwachting of conclusie |
Vraag-antwoordstructuur | Vraag | Antwoorden | Conclusie of beste antwoord |
Tekstverbanden en signaalwoorden
Zinnen en alinea's zijn met elkaar verbonden via tekstverbanden. Deze verbanden worden zichtbaar gemaakt door signaalwoorden.
Tekstverband | Functie | Veelvoorkomende signaalwoorden |
|---|---|---|
Chronologisch | Geeft de tijdsvolgorde aan. | eerst, daarna, toen, vroeger, nu, later, jaartallen |
Concluderend | Trekt een conclusie uit eerdere informatie. | dus, daarom, kortom, concluderend, al met al |
Doel-middel | Laat zien welk middel wordt gebruikt om een doel te bereiken. | zodat, opdat, met behulp van, om te |
Oorzakelijk | Laat zien hoe iets gebeurt buiten iemands wil of invloed. | doordat, daardoor, als gevolg van, waardoor |
Opsommend | Noemt verschillende zaken achter elkaar. | ten eerste, daarnaast, ook, tevens, bovendien, en |
Redengevend | Geeft aan waarom iemand iets doet (binnen de eigen wil). | daarom, omdat, want, dankzij, immers |
Samenvattend | Geeft de voorafgaande informatie kort weer. | kortom, samengevat, met andere woorden, al met al |
Tegenstellend | Zet tegenovergestelde zaken tegenover elkaar. | maar, echter, toch, desondanks, daarentegen |
Toegevend | Zwak de hoofdzaak af door een andere kant te tonen. | hoewel, ook al, ofschoon, weliswaar |
Toelichtend | Geeft extra informatie of een concreet voorbeeld. | bijvoorbeeld, zoals, neem nou, ter illustratie |
Vergelijkend | Laat overeenkomsten of verschillen zien. | in vergelijking met, net als, evenals, zoals |
Voorwaardelijk | Geeft aan wat er nodig is voordat iets kan gebeuren. | als, indien, tenzij, mits, wanneer |
Argumentatie en structuren
Een standpunt (ook wel stelling of bewering genoemd) is een uitspraak waarvan de schrijver de juistheid wil aantonen. Om dit standpunt te ondersteunen, gebruikt de schrijver argumenten. Deze kunnen feitelijk (controleerbaar) of waarderend (gebaseerd op een mening of gevoel) zijn. We onderscheiden verschillende argumentatiestructuren:
•Enkelvoudige argumentatie: Het standpunt wordt ondersteund door exact één argument.

•Onderschikkende argumentatie: Een argument wordt ondersteund door een of meer subargumenten.

•Nevenschikkende argumentatie: Meerdere argumenten ondersteunen gezamenlijk direct het standpunt.

•Gecombineerde argumentatie: Een complexe structuur waarin nevenschikkende en onderschikkende argumenten samen worden gebruikt.
Daarnaast kan een tekst tegenargumenten (bewijzen tegen het standpunt) en weerleggingen (argumenten die het tegenargument ontkrachten) bevatten.
Functiewoorden
Een functiewoord geeft aan welke specifieke rol een bepaalde alinea of tekstgedeelte speelt binnen het geheel. Belangrijke functiewoorden zijn:
•Aanbeveling: De schrijver geeft een goed advies of een oplossing voor een probleem.
•Aanleiding: De concrete gebeurtenis die de schrijver ertoe bracht de tekst te schrijven.
•Afweging: Het vergelijken van voor- en nadelen om te bepalen wat het zwaarst weegt.
•Constatering: Een objectieve vaststelling of waarneming van een feit of verschijnsel.
•Nuancering: Het afzwakken van een eerdere bewering of standpunt door andere kanten te belichten.
•Tegenwerping: Een bewering of mening die recht tegenover een eerder standpunt staat.
•Uitwerking: Het gedetailleerder uitleggen of uitbreiden van een stelling of bewering.
•Verklaring: Het geven van een heldere uitleg over de oorzaak van een bepaald verschijnsel.
•Weerlegging: Het bewijzen dat een tegenwerping of mening van een ander onjuist is.
§4 Kijken en luisteren
Bij het examenonderdeel kijken en luisteren bekijk je videofragmenten en beantwoord je hier vragen over. Volg dit stappenplan om deze vragen succesvol te beantwoorden:
1.Lees eerst de vraag zorgvuldig door, maar bekijk de antwoordopties nog niet.
2.Bekijk het fragment in zijn geheel met volledige concentratie, zodat je geen visuele of auditieve details mist.
3.Bedenk na het kijken zelf wat het antwoord moet zijn.
4.Vergelijk jouw antwoord met de meerkeuzeopties en selecteer de beste optie. Streep onwaarschijnlijke antwoorden direct weg.
Let tijdens het kijken en luisteren goed op het gebruik van infographics (informatieve illustraties). Deze worden vaak gebruikt om complexe onderzoeksresultaten of conclusies in één oogopslag duidelijk te maken aan de kijker.
§5 Schrijven
Tijdens het examen schrijf je zelf een tekst, zoals een zakelijke brief, een zakelijke e-mail of een artikel.
Stappenplan schrijfopdracht
Een succesvolle schrijfopdracht bouw je op met de volgende drie stappen:
1.Lezen: Bestudeer de situatiebeschrijving en de opdracht nauwkeurig. Bepaal de tekstsoort, het doel en de doelgroep (het publiek). Dit bepaalt je toon, zinsbouw en of je de lezer aanspreekt met 'u' (vousvoyeren) of 'je/jij' (tutoyeren).
2.Schrijven: Verdeel de verplichte inhoudspunten logisch over de inleiding, het middenstuk en het slot. Sla tussen alinea's steeds een regel over. Zorg dat je tekst voldoet aan het minimum aantal woorden (meestal minimaal 100 woorden).
3.Controleren en verbeteren: Controleer of alle gevraagde inhoudspunten aanwezig zijn. Lees de tekst in je hoofd voor om te controleren of de zinnen goed lopen. Controleer tot slot de spelling (gebruik eventueel het woordenboek), interpunctie en het gebruik van hoofdletters.
Beoordelingscriteria
Je schrijfopdracht wordt streng beoordeeld op drie hoofdonderdelen:
•Inhoud: Zijn alle verplichte punten uit de opdracht volledig en correct verwerkt? Voor elk ontbrekend element worden er punten afgetrokken.
•Taalgebruik: Hierbij wordt gelet op formuleringsfouten, spelfouten (inclusief werkwoordspelling en hoofdletters) en interpunctiefouten. Bij minder dan het minimumaantal woorden (meestal 100 woorden) vervallen alle punten voor taalgebruik.
•Presentatie en conventies: Voldoet de tekst aan de formele regels van de tekstsoort? Denk aan een passende titel, een juiste aanhef en afsluiting, een logische alinea-indeling en een passende toon voor de doelgroep.
§6 Woordenlijst examenwoorden
In examenvragen en antwoordopties komen veel vaste begrippen voor. Zorg dat je de betekenis van deze examenwoorden goed kent:
Examenwoord | Betekenis |
|---|---|
Aandacht trekken | Opvallen, zodat de lezer of kijker geprikkeld wordt om verder te lezen of te kijken. |
Aankondigen | Vooraf vertellen wat er gaat komen of wat er besproken gaat worden. |
Aansluiten bij | Goed passen bij of logisch verbonden zijn met eerdere informatie. |
Aantonen | Bewijzen of met feiten en voorbeelden laten zien dat iets daadwerkelijk zo is. |
Adviseren | Raad of een bruikbaar advies geven aan de lezer. |
Afzwakken | Een bewering of standpunt minder stellig of minder erg maken. |
Amuseren | De lezer of kijker vermaken met een leuk, spannend of interessant verhaal. |
Aspect | Een specifieke kant, onderdeel of eigenschap van een onderwerp. |
Benadrukken | Ergens extra de nadruk op leggen om het belang ervan te onderstrepen. |
Bewering | Een uitspraak of stelling waarvan de juistheid nog moet worden aangetoond. |
Blijken uit | Duidelijk worden of afgeleid kunnen worden uit specifieke tekstgedeelten. |
Citeren | Een zin of zinsdeel letterlijk en exact overschrijven uit de tekst. |
Commentaar | Een opmerking, toelichting of mening over een bepaalde gebeurtenis of uitspraak. |
Deskundige | Iemand die door studie of ervaring zeer veel weet over een specifiek onderwerp. |
Doel-middel | Het verband waarbij een bepaald middel wordt ingezet om een gewenst doel te bereiken. |
Feit | Een objectieve gebeurtenis of omstandigheid waarvan gecontroleerd kan worden of deze waar is. |
Functie | Het specifieke doel of de rol die een tekstgedeelte of afbeelding heeft. |
Gegeven | Een vaststaand feit of bekend uitgangspunt dat als basis dient. |
Gestelde | Datgene wat eerder in de tekst is beweerd of geschreven. |