Les over 1 MEER DAN LEZEN

Les over 1 MEER DAN LEZEN

Gemaakt door Ainstein
1 MEER DAN LEZEN
Deze video bestaat uit
  • TekstdoelenTekstdoelen
  • OB - Nederlands - F2 - PresentatieOB - Nederlands - F2 - Presentatie
  • Argumenteren Argumenteren
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 13:08
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Meer dan lezen: tekstsoorten, doelen en argumentatie

Leerdoelen

Je kunt het tekstdoel en de tekstsoort van een informatieve tekst herkennen.

Je kunt hoofdzaken en bijzaken in een tekst onderscheiden en de hoofdgedachte formuleren.

Je kunt standpunten, meningen en verschillende soorten argumenten herkennen en analyseren.

Je kunt het verschil tussen feiten en meningen uitleggen.

Je kunt de kenmerken van een instructieve tekst benoemen en zelf een heldere instructie schrijven.

Je kunt mbo-teksten begrijpen, schematiseren en de informatie hieruit actief verwerken.

Informatieve teksten

Een informatieve tekst is een tekstsoort die je veel tegenkomt in schoolboeken, kranten, tijdschriften en op internet. Het belangrijkste doel van de schrijver is om informatie te verstrekken, zodat de lezer iets te weten komt. Elke tekst heeft een specifiek tekstdoel dat bepaalt wat de schrijver bij de lezer wil bereiken.

Het tekstdoel en publiek bepalen

Om het tekstdoel te achterhalen, kun je de volgende stappen doorlopen:

Bedenk wat het belangrijkste is wat de schrijver met de tekst wil bereiken.

Kijk met welke tekstsoort je te maken hebt.

Bepaal het tekstdoel, zoals amuseren, een mening geven, gevoelens oproepen of uitdrukken, informatie verstrekken, instrueren, overtuigen of tot handelen aanzetten.

De schrijver stemt zijn tekst altijd af op het publiek, oftewel de doelgroep. Aan het onderwerp, de bron, de lay-out en het taalgebruik kun je zien voor wie de tekst bedoeld is.

Hoofd- en bijzaken onderscheiden

In informatieve teksten is het belangrijk om onderscheid te maken tussen de belangrijkste informatie en de details:

Hoofdzaken: De belangrijkste informatie van de tekst. Deze vind je meestal in de inleiding en het slot.

Bijzaken: Informatie die minder belangrijk is, zoals voorbeelden of extra uitleg. Je herkent bijzaken vaak aan signaalwoorden zoals bijvoorbeeld, neem nou, zo, zoals of onder andere.

In het middenstuk van een tekst heeft elke alinea een kernzin. Dit is de belangrijkste zin van een alinea, waarin de hoofdzaak van die alinea staat. De kernzin staat meestal helemaal aan het begin of aan het einde van de alinea. Het onderscheiden van hoofd- en bijzaken helpt je bij het vinden van de hoofdgedachte. Dit is de belangrijkste boodschap van de tekst, samengevat in één complete zin. De hoofdgedachte geeft antwoord op de vraag: wat is het belangrijkste dat de schrijver over het onderwerp wil vertellen?

Tekstopbouw van informatieve teksten

Als je zelf een informatieve tekst schrijft, gebruik je een vaste opbouw (inleiding, middenstuk en slot) om je tekst begrijpelijk te maken. Afhankelijk van je doel kies je een van de volgende structuren:

Tekstopbouw
Structuur
Aspectenstructuur
Inleiding (onderwerp noemen) → Middenstuk (verschillende aspecten van het onderwerp noemen) → Slot (samenvatting geven)
Probleem-oplossingsstructuur
Inleiding (probleem noemen) → Middenstuk (gevolgen, oorzaken en oplossingen noemen) → Slot (beste oplossing herhalen)
Verleden-heden-toekomststructuur
Inleiding (onderwerp noemen) → Middenstuk (situatie vroeger en nu beschrijven) → Slot (conclusie of voorspelling doen)
Voor- en nadelenstructuur
Inleiding (vraag of standpunt noemen) → Middenstuk (voor- en nadelen noemen) → Slot (conclusie trekken)
Vraag-antwoordstructuur
Inleiding (vraag stellen) → Middenstuk (antwoorden geven) → Slot (samenvatting geven of conclusie trekken)

Betogende en activerende teksten

In een betogende tekst wil de schrijver de lezer overtuigen van zijn mening. De hoofdgedachte van zo'n tekst is dan ook altijd een mening of standpunt. In een activerende tekst probeert de schrijver de lezer juist aan te zetten tot actie, oftewel om iets te gaan doen.

Tekstdoelen bij betogende en activerende teksten

Binnen deze tekstsoorten komen verschillende tekstdoelen voor, die soms ook gecombineerd worden:

Een mening geven: De schrijver wil zijn eigen mening duidelijk maken (bijvoorbeeld in een boek- of filmrecensie).

Gevoelens oproepen / uitdrukken: De schrijver wil emoties losmaken of uiten wat hij voelt (bijvoorbeeld in een column of persoonlijke post).

Overtuigen: De schrijver wil dat de lezer zijn mening overneemt (bijvoorbeeld in een ingezonden brief of klachtenmail).

Tot handelen aanzetten (activeren): De schrijver wil dat de lezer daadwerkelijk iets gaat doen (bijvoorbeeld in een reclametekst of advertentie).

Standpunten, argumenten, feiten en meningen

Om de lezer te overtuigen, maakt een schrijver gebruik van standpunten en argumenten:

Een standpunt (ook wel stelling of bewering genoemd) is een uitspraak over wat iemand vindt of denkt. Je herkent een standpunt vaak aan zinnen als ik vind, volgens mij of ik denk dat.

Een argument is de reden of het bewijs waarmee de schrijver zijn standpunt ondersteunt. Argumenten herken je aan signaalwoorden zoals want, omdat, namelijk of immers.

Er zijn twee soorten argumenten:

Feit: Een feit is een controleerbare uitspraak die echt waar is. Feitelijke argumenten maken een betogende tekst veel sterker.

Mening: Een mening is een persoonlijke opvatting die niet controleerbaar is. Waarderende argumenten zijn gebaseerd op meningen of gevoelens.

Daarnaast bevat een betoog vaak tegenargumenten (redenen die tegen het standpunt ingaan) en weerleggingen (argumenten waarmee de schrijver laat zien dat het tegenargument onjuist of minder belangrijk is).

Soorten argumentatie

De manier waarop argumenten aan een standpunt worden gekoppeld, noemen we de argumentatiestructuur. We onderscheiden de volgende vormen:

Enkelvoudige argumentatie: Het standpunt wordt ondersteund door precies één argument.

Enkelvoudige argumentatie: één standpunt ondersteund door één argument
Enkelvoudige argumentatie: één standpunt ondersteund door één argument

Onderschikkende argumentatie: Een argument wordt zelf weer ondersteund door een sub-argument (een argument bij een argument).

Onderschikkende argumentatie: standpunt ondersteund door een argument en een subargument
Onderschikkende argumentatie: standpunt ondersteund door een argument en een subargument

Nevenschikkende argumentatie: Meerdere argumenten ondersteunen samen direct het standpunt. Deze argumenten kunnen los van elkaar staan of juist samenhangen.

Nevenschikkende argumentatie: één standpunt ondersteund door meerdere argumenten naast elkaar
Nevenschikkende argumentatie: één standpunt ondersteund door meerdere argumenten naast elkaar

Gecombineerde argumentatie: Een combinatie van nevenschikkende en onderschikkende argumentatie, waarbij meerdere argumenten het standpunt ondersteunen en deze argumenten ook weer eigen sub-argumenten hebben.

Instructieve teksten

Een instructieve tekst legt stap voor stap uit hoe je een bepaalde handeling moet uitvoeren. Het tekstdoel is altijd instrueren. Voorbeelden van instructieve teksten zijn recepten, handleidingen, gebruiksaanwijzingen en bijsluiters van medicijnen.

Kenmerken van een instructieve tekst

Een goede instructieve tekst is herkenbaar aan de volgende eigenschappen:

Gebiedende wijs: De stappen beginnen met een doe-woord (werkwoord) zonder onderwerp, zoals Knip..., Meng... of Controleer....

Tijdsvolgorde en opsomming: De stappen staan in een logische volgorde. Dit wordt verduidelijkt met signaalwoorden zoals eerst, daarna, vervolgens en tot slot.

Doel-middelverband: Er wordt duidelijk aangegeven wat het doel is en welke middelen (materialen of ingrediënten) je nodig hebt om dit doel te bereiken.

Ondersteunende afbeeldingen: Afbeeldingen worden gebruikt om stappen te verduidelijken, de aandacht te trekken of de lezer aan te sporen iets te doen.

Teksten uit het mbo

Wanneer je overstapt naar het mbo, krijg je te maken met mbo-teksten in je studieboeken. Deze teksten verschillen op een aantal punten wezenlijk van de teksten op het vmbo:

Ze zijn sterk gericht op een specifiek beroep of een bepaalde sector.

Ze hebben een hogere informatiedichtheid, wat betekent dat er veel informatie in een relatief korte tekst staat.

Ze bevatten vaak moeilijkere vaktermen en langere, complexere zinnen.

Actief informatie verwerken

Om de leerstof uit mbo-boeken goed te begrijpen en te onthouden voor tentamens, moet je de informatie actief verwerken. Dit kun je doen op de volgende manieren:

Samenvatten: Het kort en in eigen woorden opschrijven van de hoofdzaken van de tekst.

Schematiseren: De informatie overzichtelijk ordenen in een tabel of schema.

Mindmap maken: Een visueel schema maken waarin je de relaties tussen verschillende begrippen en onderwerpen tekent.

Toetsvragen stellen: Jezelf tijdens het lezen vragen stellen over de tekst om te controleren of je de stof echt begrijpt.

Samenwerken en rollen in het mbo

In mbo-opleidingen werk je vaak in teams aan projecten of praktijkvraagstukken (zoals duurzaamheid). Binnen zo'n team kun je verschillende rollen aannemen:

Gesprekspartner: Je bent gericht op het verkennen van standpunten en probeert te achterhalen wat de belangen en interesses van je gesprekspartner zijn om zo tot een gezamenlijk besluit of advies te komen.

Bruggenbouwer: Je verbindt mensen en groepen met verschillende meningen en ervaringen. Je bemiddelt en zoekt naar een goede balans om samen tot groene ideeën of oplossingen te komen.

Oplosser: Je bent sterk in het analyseren van complexe problemen. Je kunt hoofd- en bijzaken goed scheiden en benoemt makkelijk oorzaak en gevolg om zo tot een praktische oplossing te komen.

Doener: Je bent een echte 'regelneef' met organisatietalent. Je experimenteert graag, probeert dingen in de praktijk uit en zorgt ervoor dat plannen daadwerkelijk worden uitgevoerd.